Het kan haast geen toeval zijn dat het vandaag 21 maart is. De vlinders vliegen uit, en daarmee gaan mijn gedachten ook naar mijn moeder. De geborduurde vlinders op onze wc, het erfstuk van mijn moeder. Ze stierf ooit op 21 maart. Dood en geboorte raken elkaar op deze dag.
Het kan haast geen toeval zijn dat ik me een week of wat geleden weer eens aan gedichten waagde. Op goed geluk koos ik een bundel van een bekende naam, de onlangs overleden Esther Jansma, en in de online bibliotheek kwam eerst haar bundel Eerst bovendrijven. Bovendrijven, ja, want water speelt een belangrijke rol in deze gedichten. Voordat er eerst was, was er water.
Kan ik een verband leggen tussen mijn moeder en water? Ja, niet zo moeilijk. Ons huis stond op grond die daarvoor moerassig was, vlakbij de Geleenbeek in Heerlen-Noord. Ik werd geboren in een huis op water. Later verhuisden we een straatje verder, wat meteen ook een paar meter hoger lag. Liepen we naar mijn geboortehuis, dan stroomde daar soms het water door de straat.
Het kan haast geen toeval zijn dat de bundels die ik lees gaan over de moeizame relatie tussen dochter-dichter en moeder. Eerst las ik Louise Glück, nu dus Esther Jansma. Ik lees: 'Je vindt me mooi? Ik ken de kou van mij/ in de uiterst aandachtige adem van mijn maakster/ liggen schamen. Nooit was ik genoeg.' De vrouw heeft pech dat ze nooit eerst is, de geschiedenis begint bij Jansma met Adam die bovenop de mast staat en daarna pas komt de vrouw.
Eerst maak ik dat Adam op een been op de mast/ van een schip is gaan staan. Het zijn de oerdagen// waarvan men zegt dat de zee al bestaat, het is/ de tijd dat niemand naar hem omkijkt en alles kan. (...) Hij vliegt niet weg want hij moet nog aan wal./ Hij moet haar nog ontmoeten die zijn ringvinger// boeit en appelboompjes aanwijst als schuldig.
Mijn moeder kreeg eerst - 'eerst' - twee dochters, die het heel moeilijk hadden en hebben. Toen ze mij kreeg was ik misschien wel de man, ik moest de man worden op de top van de mast. Totdat ik me realiseerde dat ik nog naar beneden moest, er moest nog van alles gedaan worden. 'Welkom bij de familie' zeiden mijn broers en zussen toen ik ook bezweek, alweer een tijd geleden, onder de toekomstdromen van onder anderen mijn moeder.
Moeizaam hoeft niet altijd tegen je te werken. Moeders weten alles van moeizaam, onze moeder had het ook niet makkelijk. Toch is ze ooit ontsnapt, aan de zwaarte van het boerenleven, naar de stad, de toekomst, haar kinderen. Het is de kunst om binnen die zwaarte de uitgang te ontdekken. Er wordt gezegd dat Jansma die in het slotgedicht ontdekt, 'Het raam uit, de dakgoot over': (...) het raam uit de dakgoot over tot het plat dat niemand/ beneden kan zien. En daar is het. In de winterse/ zeiknatte stilte drijft daar een windpraam van licht.'
Het kan haast geen toeval zijn dat Jansma betrokken was bij de opgravingen van Romeinse schepen rond Utrecht. Ze was gespecialiseerd in jaarringenonderzoek. Bij die praam zou je kunnen denken aan een schip, 'het plat'. Het schip brengt je misschien vanuit het huis in de wereld en de geschiedenis. Of ga ik nu te ver met mijn interpretatie, maak ik het gedicht te plat? Ja, de richting is eerder andersom, van de wereld terug naar huis.
'Ooit moet hij hierheen zijn gedreven op vreemde/ onwaarneembare stromen wellicht bij toeval/ aan de kade van loodgrijze daken zijn vastgeraakt/ en gebleven. Zie het deinen van schijnsel door de ruiten/ de vele planten die daarbinnen zijn gaan groeien.'
Ergo: vanaf die platbodem op dakgootniveau kun je weer kijken naar dat huis, dat begin, het gevaarlijke 'eerst'. Er blijkt toch nog van alles te groeien.