zondag 15 februari 2026

Het epithalamium van James Joyce

Mijn moeder was eenvoudig, en dat kon mijn vader wel waarderen. Ze kwam van een boerderij, maar had verschillende talenten en het leven speelde haar in handen van mijn vader, die haar meenam naar de stad. Een niet te onderschatten rol die ik in deze blogserie al vaker heb aangestipt speelt de godsdienst. De boerderij van mijn moeder vormde een tweeëenheid met het franciscaanse novicenklooster. Iets van hun spiritualiteit kwam over de muur waaien en zo was het niet helemaal toevallig dat mijn moeder mijn vader ontmoette in Lourdes.

Vrouwen vormen de meerderheid als je een kerk binnenloopt. Ooit, toen ik theologie studeerde, was ik op vakantie in de Ardèche en bezocht ik de dorpskerk. Veel vrouwen, uitgezonderd de pastoor. Hij verrichtte de sacrale handelingen die bij zijn wijding hoorden, de rest werd door de vrouwen uitgevoerd. Misschien vormen die vrouwen ook de - nauwelijks - geheime kracht achter de oude Griekse godsdienst. Denk aan de maenaden, en de mysteriën van Eleusis, die gewijd waren aan de mythe van Demeter en Persefone.

Ik lees nu de beroemde biografie van schrijver James Joyce (1882-1941) door Richard Ellmann, en het valt me op hoe vrouwen de loper hebben uitgerold voor zijn succes. Een paar keer achter elkaar lees ik dat deze vrouwen vertrouwd waren met het feminisme, en daarna geboeid raakten, behalve door de literatuur ook door spiritualiteit. Een paar jaar geleden was er in Ierland een expositie over de rol van deze vrouwen. Daarbij was er ook aandacht voor de moeder van James, die er in bijvoorbeeld wikipedia bekaaid vanaf komt. De aandacht gaat meestal naar de opvallende vader, die aan de drank was en steeds weer eigendom moest verkopen om het katholieke kinderrijke gezin te onderhouden. Lees Ulysses (1922) en je hoeft er niet veel van te begrijpen om te zien dat die roman draait om de vader-zoonrelatie. Stephen Dedalus kunnen we zien als de jonge James. Hij probeerde zich met zijn schrijverschap te ontworstelen aan de drankzucht die hij van zijn vader had overgenomen. In de roman is de symbolische vader advertentieverkoper Leopold Bloom, die Stephen graag onder zijn hoede neemt. Toch heb ik het gevoel dat de moeder vanuit de marge een niet te onderschatten factor is in de roman en ook in het leven van James zelf.

In het begin van de roman lezen we over de dood van de moeder van Stephen. James zelf was 21 jaar toen zijn moeder aan kanker stierf. James had toen al Ierland verlaten voor Parijs. Na een korte afgebroken studie geneeskunde (mijn moeder wilde eigenlijk ook dat ik arts werd) bleef hij daar aanvankelijk, en schreef brieven met zijn vrienden en familie. Toen haar conditie verslechterde keerde James terug naar Dublin. Voor zijn ambities als schrijver was uiteindelijk zijn moeder doorslaggevend, zegt Ellmann:

'He had never felt so close to his mother, or so much in need of her approbation, as during the months in Paris, when his letters continually prodded her for sympathy, not merely to obtain money, but to sustain his ambitions. His father had pointed him away from home towards irreverence and footless gaiety, but had none of the indomitable, and at its best, selfless patience which could vindicate a break for freedom. This quality Joyce had to derive, paradoxically, from his conventional, loving mother.' (p.134)

Zijn vriend Byrne heeft daarom ook een punt dat Joyce haar religieuze overtuigingen moet respecteren, ze moet al genoeg lijden. James was al lang daarvoor van zijn geloof gevallen. Dat was voor hem belangrijk, zijn strijd tegen het christendom bleef hem voortaan motiveren. Maar ook als zijn moeder op sterven ligt blijft James onverbiddelijk. Op de aanmaning van Byrne reageert hij ironisch dat hij het voorbeeld van Pascal en zijn patroonheilige Aloysius van Gonzaga moet volgen, en van Christus zelf, door zijn moeders smeekbeden te negeren (p.136). James doelt op het verhaal van de bruiloft van Kana, waar Maria haar zoon smeekt om de gasten uit de brand te helpen als de wijn op is. Jezus zegt tegen haar dat zijn uur nog niet gekomen is (daarna schiet hij de bruidsmeester alsnog te hulp en verandert hij water in wijn).

Deze afwijzende houding laat onverlet dat James de steun van zijn moeder nodig heeft voor zijn ambitie. Als zij sterft duurt het slechts een jaar voordat hij Nora Barnacle op straat aanspreekt, op 16 juni 1904, de dag die zo uitgebreid beschreven staat in Ulysses. Nora is tegelijk meer en minder dan zijn moeder. Meer, omdat hij haar met zijn liefde onder controle kan houden, zelfs of juist als ze kortstondig iets met andere mannen heeft. Dat zien we terug in Molly, de vrouw van Bloom in Ulysses, die voortdurend droomt van andere mannen maar haar man trouw blijft. Nora biedt James minder dan zijn moeder, en dat heeft denkelijk te maken met twee zaken: muziek en religie.

May Joyce, de moeder van James, was muzikaal opgevoed, ze had piano- en zanglessen gehad op een school die geleid werd door twee tantes. James had zijn muzikale talent van haar, en koos een periode kortstondig voor een muzikale loopbaan, met zelfs een paar optredens als zanger. Voor zijn literaire werk is de muziek steeds meer van belang, zelf zei hij dat we Finnegans Wake moeten opvatten als muziek. We kunnen zijn werk zonder veel overdrijving begrijpen als voortborduren op het talent van zijn moeder.

Daarnaast kunnen we zeker ook anders kijken naar de godsdienstige overtuigingen van James, ook als we meegaan met zijn afwijzing van het geloof en zijn levenslange strijd ertegen. Niet dat ik hem voor het christendom alsnog wil inpalmen. Maar misschien is zijn genoemde reactie op Byrne meer dan alleen ironie. Pascal, Aloysius, en als klap op de vuurpijl Christus... Het is hier de relatie tot de moeder die in het spel is, of meer nog, het verlangen dat zijn moeder van hem blijft houden, ook als hij haar vanwege zijn vader heeft verlaten.

Een aanwijzing voor de keerzijde van James' strijd tegen het christendom is zijn opvoeding bij de Jezuïeten. Dat brengt hem bij het Latijn (James leert wel Latijn, geen Grieks) en bij de ideeën van Thomas van Aquino. Daarover lezen we veel in Portrait of the Artist en in Ulysses. Maar al op jonge leeftijd kiest Joyce de filosofische lijn dat we aan literatuur morele kwaliteiten moeten toekennen, wat hij baseert op een uitspraak van Thomas: 'The good is that towards the possession of which an appetite tends' (geciteerd op p. 196-97). Wat het meest vasthoudend wordt verlangd is het ware en het mooie, en dan moeten deze goed zijn. Het goede moeten we dus niet opvatten als een systeem van morele regels of oordelen, maar als iets dat gelegen is in de esthetische kwaliteiten zelf. Dat kan er soms uitzien als amoreel of immoreel, maar in essentie is het moreel in een hogere zin, omdat we er de conventionele opvattingen van moraal mee kunnen ontmaskeren en verbeteren.

Behalve de gerichtheid op stijl en het artistieke is ook de waarheid voor Joyce altijd van belang geweest. De hele biografie van Ellmann laat zich lezen als een overdenking van de manier waarop Joyce elementen uit zijn wereld omvormt en een plaats geeft in zijn romans. Ulysses is deels een reconstructie van het leven in Dublin op 16 juni 1904, maar deels ook een artistieke metamorfose van de banale gegevens, zodat ze in zekere zin verheven worden, of dat hun verhevenheid door de lezer kan worden gezien. De kleinste details worden alleen al door de schaalvergroting zichtbaar.

Misschien moeten we deze metamorfose zelfs opvatten als heiliging. Niet in de zin dat ze uit hun context worden gehaald, door een interventie, zelfs niet die van de schrijver, maar als dingen en gebeurtenissen die vanzelf oprijzen uit het 'gevlekte leven van alledag', zoals bijvoorbeeld de rododendrons. Ellmann legt ook een verband met de komedie als een hoger genre dan de tragedie:

'In his book, Bloom's fondest memory is of an moment of affection plighted among the rhododendrons on Howth, and so is Mrs. Bloom's; it is with her recollection of it that the book ends. In this sense Ulysses is an epithalamium; love is its cause of motion. The spirit is liberated from its bonds through a eucharistic occasion, an occasion characterized by the joy that, even as a young man, Joyce had praised as the emotion in comedy which makes it a higher form than tragedy. Though such occasions are as rare as miracles, they are permanently sustaining; and unlike miracles, they require no divine intercession. They arise in quintessential purity from the mottled life of everyday.' (p.390)

Het doet bijna pijn aan je tanden, deze liturgische taal. Net als mijn moeder hield Joyce van liturgie, maar de ware liturgie lag voor hen beiden niet in de kerk, maar in de bloemen. En die bloemen hangen weer samen met het epithalamium, een gedicht of lied dat wordt gezongen bij de gang van de bruid naar de bruidskamer. Ik denk aan de trouwdag van mijn ouders in Noorbeek, op 10 mei 1957 (of '58?), in een kerk die helemaal versierd was met orchideeën.

Het huwelijk is het sacrament van Joyce, het geheim van zijn relatie met de bitsige Nora (die zijn literatuur niet begreep) was zijn voornemen om het huwelijk centraal te stellen in zijn leven. Huwelijk overigens niet in institutionele zin, want ze trouwden pas veel later, in 1931, maar als monogame relatie. Het ziet eruit als een moraal of als nostalgie naar de kerk die hij had verlaten en die hij bestreed. Maar we komen verder wanneer we zijn werk begrijpen als zo'n epithalamium, het gooien met bloemen op weg naar de bruidskamer.

Misschien lijk ik in sommige opzichten op Joyce, in een minder getalenteerde en verdunde versie, met in mijn geval een brave, toegewijde vader die niet dronk. Toen ik theologie studeerde woonde ik samen met Anja en met een bevriend stel. Mijn moeder mocht die vriend niet, en vond het ook niet goed dat we samenwoonden zonder te trouwen. Mijn vader haalde ze over om mijn decaan in Utrecht te vragen om uitleg, en daarvoor kwamen ze speciaal naar Utrecht. Ik had weinig respect voor de gevoeligheid van mijn moeder. Maar ik herinner me dat ik altijd sterk verlangde naar haar liefde. Als ik thuiskwam raakte ik verzeild in felle discussies met mijn vader, terwijl ik nu juist zo graag met mijn moeder wilde praten.

Is taal, zoals de romans van Joyce of deze blogs, een middel om denkbeeldige controle over die liefde te krijgen, die we zo graag hadden van onze moeder, en nu zoeken in de sublimatie van de dingen in onze wereld? Onze buitenkerkelijke liturgie?

Lezend in de biografie is er ook een andere optie. Ik lees dat Joyce Odysseus zag als de algemene mens, de held van de literatuur, meer dan Dante of Faust. Odysseus wil controle, zeker, en moet met zijn virtuoze tong en zijn boog de strijd tegen de vrijers winnen om zich weer te voegen bij zijn Penelope. Odysseus heeft controle over de taal. Zoals Joyce zegt, begint het leven van Odysseus pas echt als de oorlog in Troje voorbij is en hij op weg gaat naar zijn vrouw. In die zin is het een epithalamium. Maar het is ook het verslag van een illusie. Als Odysseus de onderwereld bezoekt voor route-aanwijzingen, ontmoet hij zijn overleden moeder. Als hij haar wil omhelzen merkt hij dat ze een schim is.

Waarheid heeft behalve met betovering ook te maken met ontnuchtering. De rododendrons zijn ineens gewoon rododendrons. De geborduurde vlinders van mijn moeder hier aan de muur van onze wc worden langzaam donkerder. Demeter doolt rond op zoek naar haar dochter, laat zich opvrolijken door gorgo Baubo, maar Persefone blijft voorlopig, ook na de hereniging, in de greep van Hades. De komedie maakt de tragedie niet ongedaan. Zo makkelijk laat ook de godsdienst zich niet veredelen.

Het Noorbeek van Brigida » Stichting Pansophia
Brigida-blömke

 

  

dinsdag 30 december 2025

Doorgaan met scherven

Scherven brengen geluk maar vind ik niet altijd mooi. Als kunstenaar Bouke de Vries me hier in Leeuwarden met veel nadruk wil laten delen in zijn fascinatie voor scherven heb ik daar moeite mee. Maar er is een rotsvast geloof in mij dat er ook voor mij een toegang is tot zijn kunst.

Zo sta ik voor een klok, een afbeelding van een klok, op keramieken tegels. Een tegel ontbreekt. Blijkens de toelichting had op deze zwarte plek een filmpje moeten spelen. Maar het filmpje doet het niet. Er is nu die zwarte plek. Triomf komt in me boven, lichte, subtiele triomf. Een onbedoelde fout die licht werpt op het schervenwerk! Zo kan ik alsnog vrede hebben met de retorische aanval van De Vries!

Zo functioneert de filosofie meestal als ik naar kunst kijk. Ik ontdek op metaniveau een idee dat haaks staat op de idee zoals die is verwoord. Zo eigen ik me het kunstwerk toe, het wordt nu echt iets van mij. Ik kan nu zeggen: de fascinatie voor scherven komt voort uit een tegenspraak. De scherf mag niet gewoon een scherf zijn, maar moet deel worden van een volmaakt kunstwerk. De scherf mag niet lelijk zijn, maar moet mooi worden. En dankzij de fout op metaniveau, het niet-werkende filmpje, kan het kunstwerk weer mislukt worden, en daarmee de scherf de scherf.

Mijn moeder overleed in 2001 aan aneurysma van haar hartslagaders, een scheuring van de aderwand op een plaats die altijd al kwetsbaar moet zijn geweest. Mijn moeder was op haar manier een schervenpot, de kwetsbare plek was deel van mijn moeder totdat die scheuring optrad. Het past bij het beeld van mijn moeder met haar disclaimers. Als ze gekookt had en de schaal op tafel zette, zei ze erbij wat er fout was gegaan. Mijn vader spotte daar graag mee: 'Bescheidenheid is de wens om tweemaal geprezen te worden, eenmaal om wat er minder is, en eenmaal om je bescheidenheid.'

Een aanwijzing dat mijn moeder hier in het spel is, is ook de verzameling van De Vries van geborduurde versies van het melkmeisje van Vermeer. De Vries zocht op markten naar voorwerpen zoals de melkkan, uit de tijd dat het melkmeisje actief was. Die voorwerpen reconstrueerde De Vries, en zette ze in doorzichtige kastjes op bijzondere pootjes.

De parallel met mijn blogs in deze serie tekent zich af. Ik verzamel herinneringen aan mijn moeder en bedenk er iets bij, alsof het borduurwerkjes naar Vermeer zijn die moeten worden teruggevoerd naar hun waarheid. Het is alsof een geest me maar hints blijft geven voor de oplossing van het raadsel. Waarom zijn die onvolkomenheden, fouten, scherven zo belangrijk? Waarom moet ik het bestaan van mijn moeder rechtvaardigen?

Wat me het meest hindert aan die schervenesthetiek is dat ze extra mooi zouden zijn. Waar ik in mee kan gaan is de poging van De Vries om de scherven te gebruiken als deel van de geschiedenis der dingen. Goed, er zijn scherven. Die kun je weggooien of zelfs lijmen en de breuklijnen wegtoucheren. Maar je kunt de scherven ook inzetten als deel van de geschiedenis. En die gaat door. Je borduurt voort met wat er is, op wat er is. Er is maar één moeder, en wat ik ben is voortborduursel.

Memento mori, Bouke de Vries, 2014

maandag 18 augustus 2025

Praktische filosofie over luisteren is bere-interessant!

Mijn moeder stond erom bekend dat ze zo goed kon luisteren. Als kinderen zagen we ook een andere kant. Als mijn moeder had staan praten met een buurvrouw kwam ze doodmoe thuis. Ze had wel goed geluisterd naar die buurvrouw, maar was geïrriteerd dat die buurvrouw zo slecht kon luisteren. Mijn moeder vertoonde dus wel goed gedrag, maar werd daarvoor niet beloond. We hebben ervan geleerd dat luisteren vaak niet loont. Het levert je wel veel sympathie op, maar je voelt je toch miskend, met je irritaties.

Dit laat onverlet dat goed luisteren een deugd is. Er zijn nu in het politieke veld polarisatiedeskundigen werkzaam, zelfs filosofen, die ons aanraden dat we onze oordelen moeten opschorten en vaker moeten luisteren. Ze suggereren dat dit helpt om de polarisatie te verminderen. Dat zou je kunnen bevestigen met onderzoeken. Maar het interessantste vinden we toch filosofen die praktisch durven te denken. De onderzoeken komen met zoveel wirwar en complicaties dat ons dat niet snel verder helpt. Een praktisch filosoof is juist zo boeiend omdat hij afstand neemt van die wirwar zodat we weer durven handelen.

Zo kom ik bij mijn bewering dat praktische filosofie over polarisatie bere-interessant is.

Zelf beschik ik over te weinig ervaring om een oordeel te vellen over de effectiviteit van luisteren. Ik kan wel weer over mijn moeder beginnen, maar die kent niet iedereen. Uit mijn eigen ervaring weet ik dat mensen met uitvoerige verhalen en stellige oordelen het fijn vinden als ik naar hen luister. Zo voelen ze zich aangemoedigd om met nog meer verhalen en oordelen aan te komen. Luisteren kan dus het effect hebben van een katalysator.

De laatste jaren ligt mijn expertise iets meer bij filosofen als Plato. Die schreef gesprekken op die zijn leraar Socrates voerde met allerlei experts van zijn tijd. Plato heeft dus waarschijnlijk goed geluisterd. Maar de meeste experts werden nogal onderuit gehaald door Socrates, en zijn tijdgenoten raakten zo geïrriteerd door zijn benadering dat ze hem uit de weg ruimden. Socrates is dus geen erg goed voorbeeld voor iemand die gelooft in de deugd van het luisteren. En Plato presenteert zichzelf vooral als aanhanger van Socrates, hij stond niet zodanig boven de partijen dat hij een depolariserende rol kon spelen.

Met al mijn ervaring kom ik dus niet verder dan mijn bewering van zojuist, dat praktische filosofie over polarisatie bere-interessant is.

Werkvorm voor de zorg: Actief luisteren - Boom Management

donderdag 7 augustus 2025

Thuiskomen in metamorfoses

Ik vond het altijd fijn om ergens te vertrekken. Toen ik ouder werd vond ik het fijn om ergens terug te komen. Op een lange fietstocht kon ik me verheugen op mijn thuiskomst waar mijn moeder me stond op te wachten. Dan kon ik lekker vertellen hoe ver we waren geweest enzo. Mijn moeder reageerde altijd geïnteresseerd, maar na de zoveelste tocht nogal flauwtjes.

Nu is mijn moeder er niet meer, maar wel mijn zussen, daar in Limburg. Als ik er ben kom ik bij familie die het thuiskomen verandert. Zo zat ik bij mijn oudste zus en zei Inez dat ik even naar de wc moest. Daar stond een doosje met vogelzang. Dat voelde bijna als thuiskomen, de associatie met het nest, maar ook met de bijzondere dingen op de wc, zoals bij ons thuis de geborduurde vlinders van mijn moeder.

Bij mijn jongste zus keken we samen BB vol liefde. Er zijn allerlei Nederlanders met een BB in het buitenland die liefdeskandidaten op bezoek krijgen. Dat zijn ook weer Nederlanders. Zo opent zich weer een nieuwe ervaring van thuiskomen. Je vertrekt, want dat wil je. Maar in den vreemde creëer je je thuis naar het model van thuis. Dan kies je je partner naar het model van de mensen thuis. Nederlands, whatever that may be.

Je krijgt een intieme blik in onszelf als koloniaal. Je moest de wereld veroveren en missioneren. Je slaagde erin je daar - heel ver weg - thuis te voelen door die donkere ander als afzetpunt in te zetten. Zo vond je je identiteit zonder je trots als zelfstandige heer op te geven. In den verre was je meer thuis dan je thuis ooit had kunnen zijn.

Misschien dat mijn filosoof Agamben zoiets bedoelt met thuiskomen waar je nooit geweest bent. Hij gaat nog weer verder. Wij maar denken dat je echt iemand bent daar, in die landen. Maar hij zegt dat je een ander bent, het ik is een ander. Hooguit kun je zeggen dat je iets hebt. En wat je hebt is in wezen helemaal niets. Oké, denk ik dan, je neemt een boot vol kruiden mee en een hoop goud. Maar je blijft tegelijk naar de kerk gaan waar je hoort dat je daar iets had moeten brengen. Zo weten we nog steeds niet waar we thuis zijn, of dat ergens een plek is ofzo.

We zijn ook nog naar een museum geweest, met kunstwerken van een Antilliaanse schilderes (Rinella Alfonso) en van een Limburgse kunstenaar (Charles Eyck). Deze laatste past deels in het koloniale verhaal. Hij maakte religieuze kunst, bijvoorbeeld een expressionistisch Christusbeeld. Zo trok hij de aandacht van een arts op Curaçao die ook van kunst hield. Eyck kwam er voor inspiratie maar ook om iets te brengen. De prachtige huiveringwekkende olieverfschilderijen van Alfonso zou je kunnen zien als voortzetting van deze beweging. Ze brengt iets daar in Heerlen wat geïnspireerd is door Curaçao én door Eyck. Er gaat iets heen en weer, de plaats doet ertoe en doet er niet toe. De Geest waait waarheen Zij wil.

Het lijken wel spoken, op die doeken van Alfonso. Maar het zijn ook kammen. Huiselijke voorwerpen. Met tanden die kunnen bijten. Is de Geest soms een spook geworden? Ik zie mezelf weer terug in mijn kelderkamer, met dat schilderij van Van Gogh, die schedel met sigaret. De onderwereld onder het huis waar je woont en waar je vertrouwd bent met de geesten. Het kunnen je vrienden worden. Ze dragen altijd iets van wraak en gerechtigheid in zich.

Misschien zijn we toe aan een nieuwe thuiservaring, wie weet. We worden gedragen door bijvoorbeeld de kunst of wat we lezen. Of dat nu per se altijd unheimlich is... Met een leerling verkennen we in een werkstuk nu een soort omkering van Freud. Niet het huis maar het hotel. Je komt er thuis om te vertrekken. Je gastheer schuift de rekening onder je neus maar je had al betaald. Zo ben je in wezen onschuldig.

We verbleven in hotel Vaeshartelt, het vroegere lustoord van uitbuiter Regout. Je wordt verwelkomd door twee sfinxen die meteen herinneren aan Freud en de dwang om snel te interpreteren anders word je gewurgd. Kunnen we die sfinxen ook anders passeren? Ga ik toch weer naar de wc, de wc van onze vlinders en vogelzang. Nu pis ik in de bak met de letters Sphinx. Er stroomt weer iets, het voelt als thuiskomen.



vrijdag 6 juni 2025

Mend the gap - Frederiek exposeert onze vlinder

Laat je niets wijsmaken, de aarde is nog steeds het centrum van het heelal. In ander verband heb ik begrepen dat dit niet per se te wijten is aan narcisme of dogmatische verstarring. Het is ook iets in de wereld zelf, iets in de dingen wat ertoe komt om aan ons te verschijnen. Hoe de dingen aan ons verschijnen is in die merkwaardige gecentreerde structuur. Daarvan getuigen al deze blogs, ze zijn geordend naar de toevallige doch dwingende ordening van het ik (of wat dan ook) dat ergens ishier en nu.

Zo ook mijn dochter, een van de twee, Frederiek, die gisteren exposeerde met haar artistic research in Amsterdam. Het was een gigantische poster geworden met concentrisch geordende namen, met haar eigen naam als stralend middelpunt. Daaromheen de namen van haar ouders, daaromheen van haar grootouders enzovoort. Ertussen en eromheen de gegevens over haar familie voorzover die te maken hadden met textiel. Frederieks artistieke werk is vooral gerelateerd aan textiel. De suggestie is duidelijk, je kunt je afkomst zien als een enorm complex weefsel in materiële en metaforische zin. Via het weefsel kun je de wereld verkennen, je kunstwerk is zoiets als (weer een andere metafoor) een Hubble die om de aarde draait en je zicht op de kosmos verbetert, steeds meer verweven data oplevert.

De link met de geborduurde vlinders van mijn moeder was makkelijker te zien dan in mijn andere blogs van deze serie. Hoog in de poster een fotootje van een van de vier vlinders, met een lijntje gerelateerd aan de naam van mijn moeder. Er was veel wit omheen, het is work in progress en veel gegevens wachten nog op ontdekking. Of die ontdekte gegevens ook in artistiek of filosofisch opzicht essentieel zijn is niet per se gezegd. De dynamiek van de ontdekking is centrifugaal. Met elke ontdekking neemt het wit toe, en wel in grotere omvang dan die gegevens. Het wit zit overigens niet alleen aan de buitenkant, Frederiek gebruikte lang geleden al de muzikale metafoor interval om de relatie tussen de gegevens te typeren.

Dat het wit onze speciale interesse verdient lees ik ook in de beschrijving in de folder: 'Can textiles become a site for re-membering the past lives of women?' Met textiel zit je al gauw in het leven van vooral vrouwen, zeker in het verleden. Herinneren of gedenken is niet makkelijk wanneer de gegevens niet voor het oprapen liggen, de geschiedenis is het terrein van mannen. Je moet dus aan het werk, er moet onderzoek worden gedaan. In het geval van Frederiek betekent dit onder meer dat ze haar poster moest oprollen en op de fiets moest meenemen naar het Sloterpark, hopend dat niet alles volledig in de war zou worden geschud en gewaaid.

Als je de poster wil zien als een kunstwerk, zou je oog eerst kunnen vallen op de conceptuele laag. We zien namen en afbeeldingen waarbij de idee belangrijker lijkt dan de materiële uitwerking. De arbeid waaronder het fietsen van Frederiek en de arbeid van de talloze vergeten vrouwen aan hun textiel blijft ook in dit kunstwerk vooral zichtbaar op conceptueel niveau, de ervaring blijft op afstand, en is in zoverre een gap. Maar ook daarop heeft Frederiek iets bedacht. Als er iets ontbreekt in de gegevens, en ze ontdekt dit, dan gaat ze hiermee aan het werk. Het ontbrekende textielstuk kan bijvoorbeeld alsnog worden gemaakt. De kunstenaar kan hier de onderzoeker aanvullen: waar reconstructie niet mogelijk is, wordt de artistieke fantasie ingezet als hulpmiddel. De foldertekst gebruikt hier ook de term mending, het herstellen van een textielgat. (Op de terugweg in de metro hoorde ik weer 'Mind the gap', en dat heb ik met de titel van deze blog dus even hersteld.)

Het bescheiden streepje in de spelling van re-membering kun je misschien ook duiden als zo'n gap. Je bent altijd al lid van je familie, daar is geen ontkomen aan. Maar dit is een conceptueel inzicht, het komt steeds minder overeen met onze ervaring. De enorme familiestambomen bevatten vooral namen, jaartallen. Op tv ontdekken BN'ers dat ze een wonderlijke afstamming hebben, wat statusverhogend werkt. Ze staan weer eens extra in de aandacht.

Mijn moeder paste deels in die historische interesse. Ze las over koningshuizen en was geïnteresseerd in al die afkomsten en familierelaties. Het was geen re-membering van haarzelf maar van de vorsten waarvan nu eenmaal de gegevens al bekend waren. Via de poster van Frederiek zou ik er ook anders naar kunnen kijken. Allereerst natuurlijk naar het aandeel van de vrouwen in al die dynastieën. Door het symmetrische model (vader contra moeder als poort naar het verleden) is er vanzelf meer aandacht voor de vrouwen.

Daarnaast, en daarboven, is er die vlinder, de geborduurde vlinder.

Mijn moeder was niet artistiek in de zin dat ze schiep uit het niets. Ze nam patronen over uit de tijdschriften. Haar gevoel voor kunst had meer te maken met smaak, een bepaald soort smaak. Geen barokke overvloed, maar simpele figuren en kleuren. Op haar manier hield ze van eigentijdse kunst. Niet in een museum of een boek, wel in kerken. Kerken moesten liefst modern zijn, met veel beton en glas, en natuurlijk gebrandschilderde ramen.

Misschien krijgen we zo meer helderheid over dat streepje tussen re- en -membering. Het gaat over een streepje dat er al was voordat het gezet werd, het was er als gap. De foldertekst maakt het streepje zichtbaar, 'gives visibility' om een andere term uit de tekst te gebruiken. Het verbindt ons lidmaatschap van de familie met de herneming van dat lidmaatschap, de metamorfose ervan, zou ik graag zeggen met het oog op het symbool van de metamorfose bij uitstek, de vlinder.

Daarom stel ik voor om - althans binnen het frame van deze blog - artistic research te veranderen in artustic research, waarbij de aandacht valt op het verband tussen ars (kunst) en artus (ledemaat), kunst als mogelijkheid om het individu te veranderen in een lid of ledemaat rond de gap, het ongeziene, het vergetene, het nietige.



 

vrijdag 21 maart 2025

Kijken naar mijn moeder door de ruiten van poëzie

Het kan haast geen toeval zijn dat het vandaag 21 maart is. De vlinders vliegen uit, en daarmee gaan mijn gedachten ook naar mijn moeder. De geborduurde vlinders op onze wc, het erfstuk van mijn moeder. Ze stierf ooit op 21 maart. Dood en geboorte raken elkaar op deze dag.

Het kan haast geen toeval zijn dat ik me een week of wat geleden weer eens aan gedichten waagde. Op goed geluk koos ik een bundel van een bekende naam, de onlangs overleden Esther Jansma, en in de online bibliotheek kwam eerst haar bundel Eerst bovendrijven. Bovendrijven, ja, want water speelt een belangrijke rol in deze gedichten. Voordat er eerst was, was er water.

Kan ik een verband leggen tussen mijn moeder en water? Ja, niet zo moeilijk. Ons huis stond op grond die daarvoor moerassig was, vlakbij de Geleenbeek in Heerlen-Noord. Ik werd geboren in een huis op water. Later verhuisden we een straatje verder, wat meteen ook een paar meter hoger lag. Liepen we naar mijn geboortehuis, dan stroomde daar soms het water door de straat.

Het kan haast geen toeval zijn dat de bundels die ik lees gaan over de moeizame relatie tussen dochter-dichter en moeder. Eerst las ik Louise Glück, nu dus Esther Jansma. Ik lees: 'Je vindt me mooi? Ik ken de kou van mij/ in de uiterst aandachtige adem van mijn maakster/ liggen schamen. Nooit was ik genoeg.' De vrouw heeft pech dat ze nooit eerst is, de geschiedenis begint bij Jansma met Adam die bovenop de mast staat en daarna pas komt de vrouw.

Eerst maak ik dat Adam op een been op de mast/ van een schip is gaan staan. Het zijn de oerdagen// waarvan men zegt dat de zee al bestaat, het is/ de tijd dat niemand naar hem omkijkt en alles kan. (...) Hij vliegt niet weg want hij moet nog aan wal./ Hij moet haar nog ontmoeten die zijn ringvinger// boeit en appelboompjes aanwijst als schuldig.

Mijn moeder kreeg eerst - 'eerst' - twee dochters, die het heel moeilijk hadden en hebben. Toen ze mij kreeg was ik misschien wel de man, ik moest de man worden op de top van de mast. Totdat ik me realiseerde dat ik nog naar beneden moest, er moest nog van alles gedaan worden. 'Welkom bij de familie' zeiden mijn broers en zussen toen ik ook bezweek, alweer een tijd geleden, onder de toekomstdromen van onder anderen mijn moeder.

Moeizaam hoeft niet altijd tegen je te werken. Moeders weten alles van moeizaam, onze moeder had het ook niet makkelijk. Toch is ze ooit ontsnapt, aan de zwaarte van het boerenleven, naar de stad, de toekomst, haar kinderen. Het is de kunst om binnen die zwaarte de uitgang te ontdekken. Er wordt gezegd dat Jansma die in het slotgedicht ontdekt, 'Het raam uit, de dakgoot over': (...) het raam uit de dakgoot over tot het plat dat niemand/ beneden kan zien. En daar is het. In de winterse/ zeiknatte stilte drijft daar een windpraam van licht.'

Het kan haast geen toeval zijn dat Jansma betrokken was bij de opgravingen van Romeinse schepen rond Utrecht. Ze was gespecialiseerd in jaarringenonderzoek. Bij die praam zou je kunnen denken aan een schip, 'het plat'. Het schip brengt je misschien vanuit het huis in de wereld en de geschiedenis. Of ga ik nu te ver met mijn interpretatie, maak ik het gedicht te plat? Ja, de richting is eerder andersom, van de wereld terug naar huis.

'Ooit moet hij hierheen zijn gedreven op vreemde/ onwaarneembare stromen wellicht bij toeval/ aan de kade van loodgrijze daken zijn vastgeraakt/ en gebleven. Zie het deinen van schijnsel door de ruiten/ de vele planten die daarbinnen zijn gaan groeien.'

Ergo: vanaf die platbodem op dakgootniveau kun je weer kijken naar dat huis, dat begin, het gevaarlijke 'eerst'. Er blijkt toch nog van alles te groeien.

Romeinse oudheden bij Stichting Stadskraan en Museumwerf Vreeswijk |  Museumwerf

zaterdag 30 november 2024

Luisteren naar het zwijgen - Het toneelstuk Branden

Een van de geheimen van de groeiende autocratie is misschien de moeder. Verloskundige Beatrijs Smulders zegt zojuist in de krant dat het geen toeval is dat Trump, net als Stalin en Hitler, een bitch van een moeder had. Zo zou je ook het gewelddadige testorijke leven der mannen kunnen zien als voortborduren, al is het, - met Herman Finkers - borduren van harde porno.

Zit er dan toch een les in het toneelstuk dat hier gisteren werd opgevoerd? We zagen Branden van Abdel Daoudi, geschreven door de Libanees-Canadees Wajdi Mouawad. Veel spektakel, veel geweld, met inderdaad ook brand onder de toneelvloer, afgeblust met drie emmers water die in het graf van de moeder werden leeggegoten. Blijkens de recensies is het een stuk met een cultstatus, vijftien jaar na opvoering in Nederland opnieuw vormgegeven met andere acteurs, van wie ik alleen de geweldige Malou Gorter kende, de moeder.

Erover schrijvend, aarzel ik tussen twee opties. De ene is die van het testament, dat ik onlangs nog besprak naar aanleiding van de film Waarom Wettelen? De film had ook 'Moeders wil is wet' kunnen heten, naar het radioprogramma dat mijn moeder graag luisterde, met verzoeknummers, of, oké dan maar, 'Moeders wil is Wettelen', moeder wil niet hier worden begraven en daarom moeten we naar Wettelen, het wordt hoe dan ook een tocht, een zoektocht of pelgrimage. Moeder is heilig, wat verwarring brengt, en het besef van je komisch tekortschieten. Dat theatraliseer ik graag, en deze blogs zijn daar een uitvloeisel van. Ik probeer nog steeds te spelen dat ik kan voldoen aan moeders wet. In het toneelstuk wordt deze optie in mijn ogen gesymboliseerd door de clownsneus die de baby meekrijgt als moeder hem moet afstaan. Toch een soort van relikwie naar later blijkt.

De andere optie is die van het zwijgen. De moeder kan eigenlijk niet anders dan zwijgen na wat haar in de oorlog overkomen is. Daarvoor was ze 'de vrouw die zingt'. Maar bovenal was ze de vrouw die schrijft. Ze leerde ooit lezen en schrijven om te kunnen ontsnappen aan het eeuwige geweld dat maar doorging in haar dorp. Een testament heeft natuurlijk ook alles met zwijgen te maken. Je kunt het na je dood allemaal niet meer zelf vertellen, dus geef je brieven mee aan de testament executeur. En je zwijgt omdat je mede door dat schrijven op weer een andere manier bent meegezogen in de gruwelen, en je zwijgen een soort ideale registratie is geworden, een verbeterde versie van het schrijven.

Als er dus al een les te leren valt uit Branden, dan zou het kunnen zijn dat we even geen les moeten leren, maar moeten luisteren naar het zwijgen, en in dit geval dus naar het zwijgen in het spektakel. In de wet van de moeder zit dat zwijgen op een of andere manier geborgen, het geeft een draai aan dat spektakel.

(Ik veroorloof me hier een kleine verwijzing naar filosoof Agamben, die zijn bespreking van La société du spectacle laat uitlopen op het beeld van de nachtvlinder die danst rond de brandende nachtlamp en wordt verteerd (zie ook deze blog). Met die vlinder zijn we meteen weer bij het centrale beeld van deze blogserie, de vier vlinders die mijn moeder ooit heeft geborduurd en die hier hangen aan de wc-muur, een zwijgend testament.)

Mijn moeder kon zwijgen, vooral 's ochtends, als ze weer slecht had geslapen en boos of verdrietig was. Het bracht me van slag. Misschien heb ik mijn belangrijkste geschenk dat ik van haar kreeg, de boeken die ze voor me meebracht uit de bibliotheek, wel met dat zwijgen geassocieerd. Misschien is mijn lezen en schrijven een poging om in verwarring te voldoen aan de wet die ik meende te bespeuren in mijn moeders boze, geïrriteerde - of verdrietige - zwijgen. Zo trok ik het me altijd aan dat ik mijn moeder teleurstelde. Ik ben geen arts geworden, ik ging samenwonen in plaats van trouwen, ik wisselde van studie. Het is vooral het zwijgen dat me trof, en waarvoor ik gevoelig ben gebleven en dat ik heb opgezocht zoals de vlinder de nachtlamp.

Het is moeilijk om in het schijnsel van zo'n brandende lamp de koude bitch goed te onderscheiden van het liefdevolle warme hart. Dat verklaart misschien waarom we zo'n gespannen relatie hebben met onze broers en zussen. We zoeken elkaar op om ermee te leven, maar zijn daar vaak niet toe in staat omdat we ons niet opgewassen voelen tegen die enorme sublieme wet, moeders wil, en dan schiet het gebaar van de vader (een soort Phersu, de clown, zie ook deze blog) tekort. In het toneelstuk wordt de verstrengeling van broers en zus naar een culminatie gebracht, met de drive van Sophocles. Dat werkt bevrijdend in twee opzichten, naar het model van Aristoteles. Enerzijds zijn wij opgelucht dat ons lot een stuk draaglijker is dan dat van de personages, anderzijds hebben we de uitersten gezien waardoor we ons kunnen uitleveren aan de sfeer van het gemengde en gemiddelde, na het spektakel hebben we even geen spektakel meer nodig. Katharsis, 'reiniging van emoties'.

De gevaarlijke kern waar de vlinders in dit stuk naar dansen is dat liefde mogelijk is, zelfs voor de ultieme monsters met wie ons politieke lot steeds meer verbonden raakt. Begrip, zouden we de toneelschrijver willen antwoorden, begrip, geen liefde alsjeblieft. Dan komt het te dichtbij. Dan wordt het allemaal te christelijk, in de extreme varianten nog wel van een Christus of van de martelaren. Liefde kan alleen komen van de moeder, en neemt dan die dubbele vorm aan van het zwijgen en het testament.

Of nee, toch niet, we waren het zingen even vergeten. 'De vrouw die zingt', zo stond de moeder bekend in de gevangenis na haar gelukte aanslag op de bendeleider. Ergens in mijn voorgeschiedenis moet ik die verbinding zien terug te vinden. Mijn moeder zong niet, maar ze zette wel graag plaatjes op. En ze was opgevoed met de spiritualiteit van de franciscanen, de 'narren Gods', er was dus wel degelijk een band tussen zingen, clownerie en liefde.

Daarmee lijkt dan toch een les te kunnen worden gelezen uit Branden. Om hoop te koesteren, of kracht om het leven aan te kunnen, moet je misschien niet kijken naar de donkere toekomst. Je kunt ook teruglezen, het verleden in, en dan stuit je op iets dat door alle spektakel heen leesbaar wordt, hoorbaar.

Too Much and Never Enough — the scathing new Trump memoir



Het epithalamium van James Joyce

Mijn moeder was eenvoudig, en dat kon mijn vader wel waarderen. Ze kwam van een boerderij, maar had verschillende talenten en het leven spee...