woensdag 23 november 2022

Dionysos blijft doorspelen - Bij de film Red sparrow

Als je je laat gebruiken, dan ben je misschien geen offer. Een paar blogs geleden stelde ik het probleem aan de orde hoe je naar Stravinsky kunt kijken, met name naar het ballet Le sacre du printemps, waar een meisje zich dooddanst. In ander verband ontdekte ik dat ook mensen als Stravinsky, ontsnapt uit de Sovjet-Unie, blijven kijken naar hun geboorteland, hun rodina. Dat kunnen wij ook, en we moeten erop vertrouwen dat in de duisternis geleidelijk omtrekken verschijnen als we onze ogen even laten wennen.

Ik zit nu te kijken naar de film Red sparrow (2018), die gisteren op Veronica werd gedraaid. Je kunt van alles zeggen over de kwaliteit van deze spionagefilm. Niet per se slechter dan James Bond, denk ik. Amerikanen spelen de meeste rollen, maar we zien ook onze Thekla Reuten. De overeenkomst met Le sacre is dat het om een danseres gaat die voor de uitdaging staat om zich op te offeren voor een hoger doel. De vraag is of ze dat gaat doen. Het maakt voor de beantwoording niet echt uit of ze hierin slaagt. Waar ik naartoe wil is dat hier de kwestie van het offer wordt opengebroken.

Cruciaal was, even ter herinnering, de godsdienst die ons uit het offer kon weghalen. Denk volgens filosoof René Girard aan het christendom, waar de dynamiek van het offer wordt beëindigd door Jezus die zichzelf nog één keer offert. Nog één keer, denk ik dan, om het af te leren. Na het offer van Jezus is alles vrijgekocht en kunnen we weer gewoon leven als op de eerste dag.

Godsdienst, zeggen de Romeinen, is een zaak van do ut des. Je geeft wel iets, maar vooral om er iets voor terug te krijgen. De investering is de kern van de godsdienst, en vanwege de ongelijkheid tussen mens en God kom je langs deze weg terecht bij een structurele dubbelzinnigheid. Je investeert in iets wat je boven de pet gaat en precies daardoor krijg je meer dan je had ingebracht. Maar, ook weer waar, precies daardoor gaat die goddelijke, transcendente realiteit, eigenlijk niet meer echt boven je pet waardoor de hele investering niet meer gegarandeerd tot meerwaarde leidt.

Je komt met andere woorden terecht in een spel waar winst verlies is en verlies winst. We kennen dit spel van het kapitalisme, met het verschil dat de verliezers in de religie altijd hun vrolijkheid kunnen behouden. Of ze nu winnen of verliezen, ook als ze verliezen blijven ze vrolijk omdat ze de beperkingen van het superieure bestaan hebben leren kennen. In het kapitalisme is het met de verliezers vaak minder vrolijk gesteld. Ze moeten keihard en serieus vechten om te overleven, ze raken buiten zicht, en we maken nog maar zelden met hen kennis via mythes, films of zelfs in religieuze verhalen. Ook in de Bijbel zijn de verliezers niet echt verliezers, maar vooral de geliefden van God en de winnaars van morgen.

Ik borduur nog even voort.

Wat een film als Red sparrow ons kan leren is dat we het offer niet alleen kunnen beëindigen vanuit de religie en de vrolijke stemming, maar ook vanuit het gebruik maken van je rol. Hoofdpersoon Dominika is balletdanseres, komt via manipulaties terecht in een volkomen afhankelijke positie, krijgt een tweede leven als spion ('red sparrow'), maar maakt gebruik van haar rol om als het ware te dansen met de wendingen van de plot. Het maakt vanuit dit oogpunt steeds minder uit of de film over kwaliteit beschikt of niet en of er een happy end in het verschiet ligt.

Zelf heb ik niet het geduld om de film ten einde te kijken, en gluur even naar de plotbeschrijving op internet. Daar zie ik dat de film eindigt met een verwijzing naar het pianoconcert van Grieg. Aan de Amerikaanse tegenspeler-spion had Dominika gezegd dat dit het concert was waarbij ze haar eerste uitvoering als balletdanseres had gedanst. Hoe we dit verder ook interpreteren, muziek is het milieu waarin de film is ingebed. Het is alsof Dominika niets heeft meegemaakt, en alsof bij alles wat ze heeft meegemaakt het concert van Grieg - hoewel we het nauwelijks gehoord hebben - op de achtergrond bleef doorspelen.

Red Sparrow | Torture Scene | Jennifer Lawrence - YouTube

donderdag 17 november 2022

There is no connection with Tilbury

Als je iets borduurt wil dat nog niet iets zeggen. Laat staan als je op iets voortborduurt. Ik denk terug aan dat beeld van een borduursel van mijn moeder met een tilbury. Het was een soort koets met daaronder de naam 'tilbury'. Mijn geheugen is niet al te best, dus het is theoretisch zelfs denkbaar dat ik het borduursel ergens anders heb zien hangen dan bij mijn moeder. Het is altijd mogelijk dat er geen connectie is, en dat de connectie die er is de connectie blijkt te zijn met iets anders.

De lijn tussen voortborduren en er maar wat los op associëren is heel dun. Ik ben dus verdacht. Al is het misschien bijzonder dat ik toegeef dat ik verdacht ben. Vast wel in de hoop op strafvermindering. Voortborduren is minder strafbaar dan er maar wat los op associëren. Maar wie zegt me dat borduren niet ook moreel verwerpelijk is? Je maakt een aantal fouten en presenteert die als een prestatie. Je hangt je eigen ding aan de muur. Je voert een patroon uit. Je brengt een origineel ding terug tot een blokjesbeeld en in het geval van de tilbury tot een zwartwitbeeld.

Ik heb me vastgezet, onder jouw ogen.

Als ik nadenk over deze complexe structuur krijg ik de neiging om me maar ergens aan vast te klampen. Ik ga googelen. Tilbury brengt me bij die koets. Het is een eenassige koets die in de negentiende eeuw werd gebruikt vooral door dorpsartsen. Snel, korte afstanden. Ik denk na... dorpsartsen... mijn moeder komt uit een klein gehucht tussen twee dorpen, en hoopte dat haar oudste zoon (ik) arts zou worden... Ik sta oog in oog met de droom van mijn moeder... met mezelf... Die droom heb ik verzaakt en doorborduren moeten we dus zien als een strafoefening om de schuld jegens mijn (in 2001 overleden) moeder te vereffenen.

Het denken brengt me bij straf, is een vorm van straf. Voortborduren bevat een belofte die ik niet alleen kan inlossen door na te denken, want dan blijf ik hangen in de straf. Nu kan ik twee kanten op. Ik kan gaan borduren. Ik kan ook meer de kant op van het associëren, in de geest van de poëzie of de psychoanalyse. Borduren is vooralsnog niet mijn ding. En poëzie is in de greep geraakt van een vaardigheid, iets waar je talent voor hebt dat je vervolgens ontwikkelt. Psychoanalyse is een vorm van blootstelling aan de ander, en wel de ander die de kennis en vaardigheid bezit om mijn spontane associaties te interpreteren als aanwijzingen voor een genezingsproces.

En toen trof me dus dat zinnetje op de Engelse wikipedia, 'There is no connection with Tilbury', of voluit: 'There is no connection with Tilbury in Essex.' Tilbury is een havenstadje in Essex. Maar de tilbury heet zo vanwege de naam van de firma waar deze koets werd ontwikkeld, Tilbury. De naam van de firma, betrekkelijk willekeurig. Sportpresentatrice Marga van Arnhem heette zo, maar het is onwaarschijnlijk dat ze uit Arnhem kwam. There is no connection.

Ik moet een draai aan deze blog geven om niet alleen de betekenis van het borduursel van mijn moeder te redden maar ook de raison d'être van deze hele blogserie.

De blog is een zieke die ligt te wachten op de dorpsarts die met zijn snelle eenassige koets onderweg is. Maar de voorbestemde arts kon niet tegen bloed en bedacht dat hij liever preken wilde schrijven en houden, en wel als tienjarige al. Mutatis mutandis werd dat blogschrijver. Denkend over mijn blogproject had ik eerst 'preken' of 'overwegingen' in mijn hoofd, maar voortborduren paste beter bij de huiselijke sfeer die ik blijkbaar wil waarderen, de huiselijke sfeer van Vermeer, met artistieke en politieke betekenis.

Ergens past daar de tilbury goed bij, het borduurwerk aan de muur. Ik ging op mijn achttiende op kamers in de buurt van Tilburg, naar Oisterwijk, vanwaar ik fietste naar het conservatorium voor de blokfluitles en de andere muzieklessen. Tilburg, de stad van de lakenindustrie. Al associërend kom ik bij het object bij uitstek van de psychoanalyse, de moeder. Ik ging weg bij mijn moeder om terecht te komen bij iets dat toch weer sterk met mijn moeder te maken had, en dat werd gesymboliseerd door de tilbury aan de muur.

Ik ben alweer ver met het verwerken van deze scheiding van mijn moeder, en ze is ook alweer 21 jaar dood. Het relikwie bij uitstek is het borduurwerk van de vier vlinders dat ik in mijn eerste blog al noemde en dat hier op de wc hangt. Daar ga ik zeker ook nog over schrijven.

Laat ik deze blog eindigen met een soort conclusie die een soort afsnijding is, een scheiding: there is no connection with Tilbury.

Zie hier de historie van de tilbury' – Hippomobielerfgoed

woensdag 9 november 2022

Opgezogen in de muziek - Stravinsky en het offer

Muziek drukt niets uit. Muziek drukt alleen zichzelf uit. Dat zei Stravinsky. Nu heb ik al eens lang geleden in een artikel voortgeborduurd op deze gedachte, met de nadruk op het negatieve aspect ervan. Muziek zou geen relatie hebben met de buitenwereld, muziek verwijst nergens naar. De Amerikaanse muziekwetenschapper Richard Taruskin gebruikt in zo'n geval de uitdrukking cordon sanitaire. Iemand zegt iets over muziek, en wel dat muziek niet is wat erover wordt gezegd.

Filosofisch interessant natuurlijk, want het is een paradox: wat ik zeg over muziek zegt niets over muziek. Maar ook politiek interessant, want we gebruiken de term cordon sanitaire voor de strategie om niet samen te werken met foute politieke partijen. Ogenschijnlijk hebben beide zaken niets met elkaar te maken. Maar juist in het geval van Stravinsky zien we een mogelijk verband. Stravinsky schreef onder meer de beroemde, destijds schandaleuze balletmuziek Le sacre du printemps. Een jonge vrouw wordt in het voorjaar door een groep dansers in een offer ter dood gebracht.

Taruskin herinnert eraan dat Stravinsky later wel bewondering had voor Mussolini. Nu vind je het misschien geforceerd om een verband te leggen tussen beide zaken. Maar gisteren keek ik een documentaire over Stravinsky - heel mooi overigens - op Netflix (Once at a border van Tony Palmer). Dirigent Robert Craft was bevriend met Stravinsky en vertelt dat het offer voor de componist altijd belangrijk was. In die documentaire overigens geen woord over de fascistische sympathieën van Stravinsky. Maar uit de documentaire rijst een beeld van een zeer religieus mens. Wat dat betekent kun je in zijn muziek horen. Muziek drukt geen menselijke emoties uit, maar moet die emoties juist weglaten uit de muziek.

Een stuk waarin je dat laatste mooi kunt zien is de balletmuziek Les noces, waarin een jonge vrouw zich voorbereidt op haar huwelijk. Er wordt gezongen, maar de vrouw die we zien optreden en dansen is niet de stem die we horen. De stem van de jonge vrouw komt ergens anders vandaan. Mens en stem worden uit elkaar gehaald, en daarmee valt een cruciaal element van het humanisme weg. De muziek stijgt uit boven de mens en het lijkt alsof een andere, bovenmenselijke instantie nu gebruik maakt van de mens, zijn lichaam en zijn stem, als instrument om de muziek aan de gang te houden.

De mens blijft intussen wel bewegen, dansen, zingen, pianospelen. De grens tussen Les noces en Le sacre is flinterdun. Het lijkt of het huwelijk zelf een offer is, van de jonge vrouw, aan de man, maar meer nog aan de gemeenschap, en die stijgt in de muziek ook boven zichzelf uit.

Had Stravinsky eerlijker moeten zijn en moeten zeggen dat de muziek dit offer uitdrukt, het offer van vooral jonge vrouwen? Borduren we met filosoof Theodor W. Adorno voort op deze gedachte, dan beluisteren we de muziek als politiek statement. Het cordon sanitaire, om met Taruskin te spreken, is een vorm van misleiding. Muziek drukt wel degelijk iets uit, namelijk het offer van de mens aan hogere machten.

Ik hoop echt dat ik Stravinsky ook anders kan duiden. Zijn muziek maakt de afgelopen maanden weer enorme indruk op me. Mij spreekt ook aan dat hij uit Rusland wegtrok, zich in Frankrijk en Zwitserland vestigde, en later weer in de VS. Een onafhankelijke geest, en zoals wel meer componisten niet enorm geïnteresseerd in politiek. Als Stravinsky dus iets zegt over Mussolini zou je kunnen bedenken dat hij daarnaast ook muziek maakt die door diezelfde Mussolini niet erg bewonderd werd. Stravinsky belichaamt voor mij een onafhankelijke, sterke houding, waarin we afstand kunnen houden van menselijke lompheid en brutaliteit.

Sterk aan de houding van Stravinsky vind ik zijn religiositeit. Hij weet in zijn muziek een sfeer op te roepen waarin de mens zich deel voelt van hogere machten. Maar anders dan in het fascisme wordt hij niet geprikkeld tot daadkracht en heerszucht, maar nederigheid. Een andere krachtige lijn in Stravinsky is het belang dat hij hecht aan simpelheid en helderheid. Dat zien we met name in zijn latere, neoklassieke werken. Maar als je met die werken (bijvoorbeeld de Symfonie in C, of het Vioolconcert) in je achterhoofd naar de vroegere stukken luistert, hoor je daar ook die geest van transparantie. Ik hoor in het begin van de Sacre (een vroeg werk van Stravinsky) instrumenten die elkaar afwisselen met contrasterende karakters en bewegingen. Geen chaos, geen cultus van mist en duisterheid.

Dat offer moeten we wellicht niet zien als een werkelijk offer, de verdediging van de destructie van het individu door het collectief. Het offer wordt overgebracht van de samenleving naar de muziek, en opgenomen in de zelfexpressie van de muziek. Wij staan daar nooit buiten. We worden door die muziek niet weggevaagd, zoals de militairen die door Hitler of Poetin naar het slagveld worden gestuurd. Muziek is een beweging en een ruimte waarin we graag willen blijven, op onze plaats als luisteraar of uitvoerder. Of, zoals Stravinsky zelf in de documentaire, die vertelt dat componeren het ding is wat hij het liefste doet. Zitten en noten schrijven.

 Stravinsky's fingerprints • Inside Story

zaterdag 5 november 2022

Terugkijken op Luik - Maigret en ik

Maigret begeleidt me allang als een schaduw. Vorige week was ik met Inez een paar dagen in Luik, de geboortestad van schrijver Simenon, en dan lees ik natuurlijk graag iets over Maigret. Het toeval helpt een handje. Uit de bieb had ik Maigret et le pendu de Saint-Pholien, me niet realiserende dat dit zich afspeelt in Luik. Het begon langzaam tot me door te dringen dat ik dit boekje al eens gelezen had, onder de titel Het lijk aan de kerkdeur. Dit boekje kreeg ik als misdienaar toen we boeken mochten uitkiezen uit de verzameling die de priesters van onze parochiekerk de deur uit wilden doen.

Later kwam ik die titel tegen, nu zo'n 25 jaar geleden, toen ik ook al met Inez in Luik logeerde, ook in een hotel tegenover het station. Het was een oud station en het hotel was vervallen, met bladderend behang. De hele dag en nacht klonken sirenes. Luik was een stad in verval, en dat was nu precies een van de redenen waarom we erheen wilden. Aangekomen op de hotelkamer zagen we een folder met wandelingen, waaronder een Maigret-wandeling, en inderdaad, ook langs de Saint-Pholien. Overigens waren we het na een nacht al zat. Lekker fietsen in de Limburgse heuvels was nodig om de decadente sfeer weer achter ons te laten.

Inmiddels heeft Luik verwoede pogingen gedaan om uit de ondergangsstemming te klimmen. Het werd getrokken in de sfeer van de Euregio met Maastricht en Aken, er kwam het blitse station van Calatrava. En wederom trokken we in een hotel ertegenover in, maar nu een stuk sjieker. We hadden een van onze dochters mee en mijn oude vader uit Heerlen kwam ons opzoeken. Dat we vorige week weer tegenover het station hotelleerden was dus scheepsrecht. Luik trekt weer toeristen, met Calatrava en ander prestigieus moois, maar de Euregio vlot niet. Naar Aken en Maastricht gaan kleine treintjes, het achterland is nog steeds gewoon Wallonië, het bestuurscentrum gewoon Brussel.

Ook Maigret kwam meermalen uit Parijs even logeren tegenover het station, maar dan rond 1930. Tien jaar eerder was de Maas dusdanig overstroomd dat je er lijken kon wegwerken, met het spannende risico dat ze weer kwamen bovendrijven. De Saint-Pholien werd voorzien van het lijk aan de kerkdeur, daarna gesloopt, om later weer plaats te maken voor een nieuwe kerk, ook weer Saint-Pholien geheten.

Waarom kwam Maigret toch steeds naar Luik? Simenon is eruit vertrokken naar Parijs zoals eerder ook componist César Franck. Luik wordt in de Maigrets neergezet als een aandoenlijk kind dat ten prooi valt aan rijke profiteurs. Nu zou je bijna denken dat Simenon linkse overtuigingen heeft, schatplichtig bovendien aan het Franse negentiende-eeuwse realisme in de roman. Dat valt echter wel mee, zoals je behalve uit zijn antisemitisme onder meer kunt opmaken uit de titel van het boek van Chrétien Breukers en Mark Cloostermans, De man die van vrouwen hield. Ik las ooit dat Simenon het met drie vrouwen per dag deed, en niet om die vrouwen te redden.

Mijn Simenon-complex heeft te maken met beroemde, vertrouwenwekkende mannen. Zelf heb ik nooit een stabiel levensgevoel gehad, in elk geval niet zo stabiel dat ik mensen om me heen kon overtuigen van mijn ideeën over de wereld. Die had ik namelijk niet echt, en voorzover ik ze wel had, ontleende ik ze als puber vooral aan Sartre. En Simenon leek op hem, apart dan van zijn politieke overtuigingen, maar ook met bril en pijp. Waarschijnlijk heeft hun vaderlijke uitstraling te maken met het gegeven dat ze in hun jeugd niet echt een vader hadden. Sartre werd opgevoed door zijn opa, en Simenon door zijn moeder, die na de vroegtijdige dood van vader hertrouwde met een spoorwegambtenaar met wie ze voortdurend ruzie maakte. De vader van Maigret overlijdt overigens op dezelfde vroege leeftijd, 45 jaar.

Een Luiks bezoek dat ik me uit mijn jeugd herinner is met mijn vader, op zoek naar L'être et le néant van Sartre. Van mijn godsdienstleraar op school, een pastoor die evenals Sartre en Simenon een markante bril droeg, wist ik dat hij zich elke ochtend twee uur aan dat boek wijdde, en ik heb dat ook een tijd gedaan. Aken ontpopte zich als de stad in de buurt waar we vaak kwamen, Luik als de exotische stad op grotere afstand, maar tevens als het Parijs om de hoek vanwege de taal en de band met Sartre (die ooit de Luikse universiteit bezocht). Samengevat kan ik op mijn leven terugkijken volgens het patroon vaderlijke autoriteit - heilige boeken - pastorale betrokkenheid bij de mens.

In Maigret et le pendu de Saint-Pholien maken we kennis met een rebels milieu van studenten die samen zuipen, zich genieën wanen en zich afvragen of ze een moord kunnen plegen. Het model is Boze geesten van Dostojevski, maar ook Misdaad en straf is niet ver weg. Zo kom je al snel uit bij de rol van een commissaris die niet zozeer geïnteresseerd is in bestraffing als wel in de diepere drijfveren des menschen. Ik moet me nu inhouden om de afloop van de Maigret-roman niet weg te geven, maar ook daar eindigt het met de commissaris die rechters wantrouwt en in zijn pastorale rol schiet.

'Begrijpen zonder te oordelen' is de mantra van Simenon, en dat is natuurlijk ook kenmerkend voor de existentiële fenomenologie van Sartre. Het is echter maar de vraag of je Simenon dus als een psycholoog moet zien, wat je wel zou denken als je steeds leest dat de psychologie zo op de voorgrond treedt in zijn Maigret-romans. Mark Cloostermans relativeert dit door erop te wijzen dat Simenon zich doorgaans beperkt tot het beschrijven van de feiten, en de conclusies aan de lezer laat. Zo ontplooit zich rond Maigret een sfeer van suspense, suggesties, subtiliteiten, schijn en schijnbare leegte. En, om dit rijtje s-woorden te onderbreken, ook mist.

Zo kijken Fransen graag naar het Noorden, vergelijkbaar met hoe wij naar Londen kijken. Simenon, denk ik, voortbordurend op de suggestie van Cloostermans, verplaatst zich in de Parijzenaar die Luik nodig heeft voor zijn dagelijkse portie mysterie dat uiteindelijk toch weer moet worden opgehelderd vanuit de lichtstad. Maar je kunt je afvragen of Simenon zelf dat ook zo zag. Kunnen we ons in hem verplaatsen? 

Voor mij is dat lastig. Een reden is dat ik nog maar weinig van hem en over hem gelezen heb. Een andere de al genoemde reden dat ik Simenon en Sartre als kind nodig had om op te leunen, om meer ideologisch houvast in mijn leven te krijgen. Dat had weer te maken met mijn vader die niet vroeg is overleden, en meer overtuigingen had dan ik. Ik hoefde de mist niet te projecteren op een mistige stad, ik was zelf die mist.

Luik had ik niet zelf gekozen, als bestemming van mijn herfstvakantie, die keuze heb ik wijselijk overgelaten aan Inez, alsmede het hotel. Wel heb ik ervoor gekozen rondom die bestemming te lezen en te schrijven. Luik is een patroon dat wordt gebruikt om te borduren, en daarop kun je ook weer voortborduren. Hier in mijn blogs voel ik het contact met mezelf dat ik mis wanneer ik moet optreden, vanuit een functie of een idee.

Misschien kan ik het verschil tussen mezelf en Simenon ook anders uitdrukken. Terwijl Luik voor Simenon de plaats is die hij verliet voor Parijs, en later weer voor Amerika, om er vanuit zijn grote ambities naar terug te kijken, is Luik voor mij nog steeds de stad van de bestemming, de stad die ik slecht ken, waar ik het maar even uithoud maar vooral ook vanuit de verwachting dat ik er nog verschillende keren zal terugkomen omdat ik denk er iets te vinden dat bij me past.

Er was een moment in ons bezoek dat slecht zou passen bij Maigret (vermoed ik). Inez en ik liepen door het Bovarie-park langs de Maas, op weg naar het museum. Vlak daarvoor zagen we een roodwit lint over het pad gespannen. Ineens flitst er een hardloper met rugnummer langs me. Ik kijk om en er komt een meute van tientallen lopers op me af. We duiken opzij en kijken hoe ze ons voorbij rennen. Het zijn duidelijk studenten. Achterin rennen een jongen en meisje, nu al buiten adem. Ik vang op dat het meisje zegt dat ze dit beter niet hadden kunnen doen. Ze wenden zich tot ons en vragen 'un mouchoir'. We begrijpen het niet, terwijl ik al dagen Frans aan het lezen ben. 'Een snor?' verstaan we (moustache). De jongen legt het uit, en gelukkig, ja, ik heb papieren zakdoekjes bij me.

Een grappig voorvalletje, zonder plot en zonder suspense. We raken meteen betrokken in dit mini-drama. We kijken niet om te begrijpen en zonder te oordelen, maar treden reddend op. Kortom, iets meer mister Bean-achtig. Meer komedie dan tragedie, maar niet minder effectief. Een kwartiertje later zien we het stel vanuit het museumrestaurant in de middenmoot meerennen.

Misschien had Simenon wel onbewust heimwee naar de prettige kleinheid van Luik. Als ik zijn romans ga lezen, en over zijn leven, zal ik daar eens op letten. De angst van Simenon voor dat kleine en alledaagse had vast wel te maken met de verhouding tot zijn moeder en tot vrouwen. Het is daarom even verhelderend als vermakelijk om de 27 beschouwingen van Breukers en Cloostermans te lezen. Op die vrouwen moest denkelijk een overwinning behaald worden die Simenon beschermde tegen de zuigende macht van zijn moeder. Met zijn Maigrets kon hij - denk ik al voortbordurend - de aandacht verplaatsen naar stoute kinderlijke wetsovertreders die onder de liefdevolle blik van pastor-commissaris Maigret veranderen in engelen die ons stukjes leven aanreiken. Als een snor of zakdoek inderdaad.

Georges Simenon. L'homme aux dix mille femmes... - Chez Jeannette Fleurs

donderdag 3 november 2022

Controverse als zijlicht op Vermeer

Vermeer drong zich in deze serie al van het begin af aan op. Ik weet niet of hij toen ook al in het nieuws was. Hoe dan ook, dezer dagen speelt de kwestie van het Meisje met de fluit. Ze hangt in een museum in Washington. Daar zeiden ze dat dit schilderij niet van Vermeer is. Hoofdargument is dat dit schilderij niet de finesse toont die we van Vermeer gewend zijn. Kan heel goed zijn dat het schilderij gemaakt is door een metgezel van Vermeer, die niet over diens finesse beschikt.

Mijn eerste reactie bij dit soort controverses is onverschilligheid. Wat maakt het uit of het van Vermeer is of niet? Het schilderij is het schilderij, en daar verandert de toeschrijving niets aan. En als dat wel zo is, dan is er iets mis met de manier waarop wij naar die schilderijen kijken. We moeten toch naar zo'n schilderij kunnen kijken als iets tussen dat schilderij en ons, waarbij de maker er niet meer toe doet. Maar het kan ook heel goed zijn dat ik de finesse mis om hier goed over te kunnen oordelen.

U merkt, ik ben alweer aan het voortborduren. In de controverse zoek ik mijn positie, en breng ik, om met de medewerkster van het Amerikaanse museum te spreken, een 'korrelige' ondergrond aan in de controverse. Ik bevind me dus vast niet op het niveau van Vermeer en de kunstkenners. Maar misschien kan ik op mijn manier wel met alweer een term van die medewerkster, 'metgezel' zijn. Ik heb een paar argumenten in de krant gelezen en probeer al schrijvend uit of ik met mijn interesse een bepaald soort zijlicht op de controverse kan laten schijnen. Overigens lijkt me de term 'zijlicht' best wel van toepassing als we het over Vermeer hebben.

Toen ik een paar blogs geleden naar plaatjes zocht in verband met Vermeer, kwam ik ook aardige borduurwerkjes tegen. Er moeten veel mensen zijn geweest, en nog steeds, die al bordurend proberen in de buurt van Vermeer te komen. Ze zullen vast niet de illusie hebben dat hun borduurwerken niet van de echte Vermeer te onderscheiden zijn. Ik denk dat het in zekere zin heel simpel is. Stel dat je borduurt én Vermeer mooi vindt. Dan ligt het voor de hand om beide voorliefdes te combineren.

Het zijlicht dat ik liefst zou aanbrengen in de controverse hoef ik niet zelf te bedenken. Ik zie het al in de inleiding van het krantenbericht van Rutger Pontzen: 'Waar de National Gallery of Art in Washington een maand geleden nog meldde dat Meisje met de fluit niet aan Vermeer toebehoort, zegt het Rijksmuseum nu dat dat juist wel het geval is - om exact dezelfde reden.' Die reden heeft te maken met de ruwe verfopbreng en de korrelige ondergrond. Vermeer was gewoon aan het experimenteren, zegt een medewerker van het Rijksmuseum. Hij probeerde steeds iets anders.

Als ik het goed begrijp (maar daarvoor mis ik dus misschien de finesse) gebruiken Washington en Amsterdam hetzelfde argument om het schilderij al dan niet aan Vermeer toe te schrijven. Dat werpt voor mij een bepaald licht op deze controverse, maar misschien ook wel op andere controversen, en misschien wel op alle controversen. Ik dacht altijd dat de tegenstanders verschillende argumenten hanteerden, maar nu zie ik dat ze bij voorkeur dezelfde argumenten hanteren. Dat is ook wel logisch. Je wil de ander overtuigen van je tegenovergestelde standpunt, en daarvoor kun je het best het argument gebruiken dat de ander zelf ook hanteert.

Ik vraag me af hoe zijlicht kan werken. Kunnen we daarbij iets leren van de schilderijen van Vermeer? Mij valt op dat hij in nogal wat schilderijen vrouwen portretteert met een ding. Het muziekinstrument komt er zelfs relatief vaak op voor. Muziekinstrumenten bespelen is een bepaalde manier om de werkelijkheid naar je hand te zetten, te instrumentaliseren. Nu lees ik dat zoiets ook speelt bij de tegenstanders in de controverse. Amsterdam heeft er belang bij dat Meisje met de fluit van Vermeer is, want ze organiseren weer een grote tentoonstelling, waarbij ze graag veel toeschouwers hebben. Ze hebben er ook belang bij dat Washington het geen echte Vermeer vindt, want dan kunnen ze het makkelijker en goedkoper overnemen.

Vandaag heb ik op school een toets Latijn gegeven over gedichten van Catullus, over een meisje dat met een musje speelt, en waarnaar de ik-persoon verliefd en jaloers kijkt. Daar zie je een soortgelijke structuur van meisje met ding/dier en het licht dat de dichter er via de emoties van de ik-figuur op laat vallen. Wat het zijlicht bij Vermeer doet, en de emotie bij Catullus, is denk ik dat ze een soort openheid en diffusiteit verlenen aan het kunstwerk. Het kunstwerk kan nog zo scherp in het licht geplaatst worden, het effect ervan is juist een soort zachtheid die ons bevangt.

We kunnen ook die controverse als een zijlicht zien. Door die ruziemakers gaan we weer extra naar dat schilderij van Meisje met de fluit kijken, waar we extra genieten van de afwezigheid van controversen. Het lijkt of de controverse ook door het schilderij zelf wordt gebruikt om in het schilderij iets van vrede te ervaren. 

Johannes Vermeer Meisje met een fluit 1670 Klassiek - Etsy België


zondag 30 oktober 2022

Het vallen vasthouden

    Herbst  Rainer Maria Rilke (1875-1926)

    Die Blätter fallen, fallen wie von weit,

    als welkten in den Himmeln ferne Gärten;

    sie fallen mit verneinender Gebärde.

Vanmiddag werd het gedicht waarvan dit de eerste drie regels zijn voorgelezen in de Waalse Kerk in Arnhem. Inez en ik zijn erheen gewandeld (7 km) en hebben onderweg door bladeren gewandeld, we zagen vallende bladeren en mooi gekleurde bomen. Het is niet makkelijk te zien hoe je naar die vallende bladeren kunt kijken zoals Rilke dat doet, hij ziet ze vallen met ontkennende gebaren. Hoezo ontkennend? Met een beetje fantasie zie ik wel hoe ze dwarrelen van links naar rechts en terug, zigzaggend, en dat kun je weer zien als een neeschuddend hoofd.

De metafoor van de bladeren heeft me in mijn vorige blogserie behoorlijk beziggehouden, terwijl het al die tijd, vanaf begin februari, maar heel kort herfst was. Toen ik een tijdje bezig was in dat format zag ik eigenlijk meer in het fladderen. Ik zag mezelf als een fladderend persoon, maar ik niet alleen. Het leek een kenmerk te zijn van onze tijd. Alles fladdert en bladdert, er is maar weinig stabiliteit. De ene dag neem je een standpunt in, de dag erna gebeuren er dingen waardoor je dat weer moet veranderen.

Vandaag zagen we in Buitenhof admiraal Rob Bauer. Hij vindt dat de pensioenfondsen weer moeten investeren in wapens, want die Oekraïners hebben onze steun hard nodig, en de Navo-landen moeten zich ook kunnen verdedigen tegen de agressie van Poetin. We waren het eigenlijk wel gewoon eens met Bauer, terwijl we vroeger nog zo pacifistisch waren. De keuze voor het investeren in wapens vind ik verdedigbaar wanneer er zo'n duidelijk verschil is tussen aanvallers en verdedigers, zoals dus Poetin en de Oekraïners. Haast ongemerkt waren we veranderd van pacifisten in oorlogssympathisanten.

Het ontkennende gebaar van de vallende bladeren begint al meer betekenis te krijgen.

Een andere uitleg drong zich op in de Waalse Kerk waar dit gedicht werd voorgelezen. In de inleiding merkte Clem (die ik nog ken uit mijn kerkelijk verleden) op dat vallende bladeren schijnbaar negatief zijn, alles loopt schijnbaar uit op de dood. Ik kan het gedicht nu zo lezen dat de bladeren als verschijning of schijn de negativiteit of de dood symboliseren. Hun ontkennende gebaar is dat ze het leven ontkennen. Maar in die kerkelijke sfeer voel je al aan dat die schijn gecontrasteerd gaat worden met de waarheid. Zoiets gebeurt ook verderop in het gedicht van Rilke, het gedicht eindigt als volgt: 

    Und doch ist Einer, welcher dieses Fallen

    unendlich sanft in seinen Händen hält.

Alles valt, niet alleen de bladeren, maar wijzelf ook, zegt het gedicht. Maar gelukkig is er iemand die dit vallen in zijn handen houdt, ook nog oneindig zacht. Nu overvalt me weer een nieuwe verwondering. Waarom zegt Rilke niet gewoon dat die ene (=God?) de bladeren in zijn handen houdt, maar 'dit vallen'? Misschien moeten we in de richting denken van betekenis of zin van het vallen. Vertrouw er maar op dat het vallen zin heeft.

Dit is een moeilijke gedachte. Ik zie die lieve mensen in de kerk als een gemeenschap die daar een uurtje bij elkaar zit voor bezinning, met Rilke, Schubert en Janaček. Erfenis van de oude katholieke mis, nu bijna een concert, maar dan met amateurmusici. Ze houden de gedichten en pianostukken die in de tijd vallen vast met hun handen en stemmen.

Ik ben er nog niet uit. Moeten we de bladeren in onze handen houden of het vallen? Misschien zijn beide alternatieven ongepast, er is er 'iemand' die het vallen in zijn handen houdt.

Laat maar vallen moeten we maar denken, laat maar gaan, die zucht naar betekenis. De blaadjes vallen, dat is het.

Herfstbladeren opruimen: tips en tricks - Gereedschapcentrum - Blog


zaterdag 29 oktober 2022

Fijnzinnig spreken over de rechtsstaat - Bessems en Pessers

Kustaw Bessems bezocht rechtsfilosoof Dorien Pessers en memoreert dat in de Volkskrant vanochtend. In alle donkerte heb ik zijn gesprek met Pessers beluisterd, viel halverwege in slaap, maar kreeg genoeg mee om erop voort te borduren.

Aanknopingspunt is dat Pessers pleit voor onpersoonlijk gezag. Mensen raken in de war wanneer rechters of bestuurders zich presenteren als privé-persoon. Het lijkt dan of ze hun gezag als privé-persoon uitoefenen en niet vanuit hun functie. Pessers geeft me te denken niet alleen om wat ze zegt, maar ook om hoe ze het zegt. Ze was eerst hoogleraar, maar nu al enige tijd met pensioen. Eigenlijk geeft ze geen interviews meer, maar ditmaal liet ze zich door journalist Bessems tot een gesprek overhalen. Zodoende werd ze bedoeld of onbedoeld een illustratie van de verwarring waar ze voor waarschuwt. Luisteren we naar een gepensioneerde oma? Naar iemand die naar eigen zeggen de vakliteratuur nog maar in beperkte mate bijhoudt?

Wat mij vooral boeit is de instantie van waaruit we de scheiding tussen persoon en functie kunnen voltrekken. Aan de ene kant is de rechtsstaat zelf zo ingericht dat ze ons beschermt tegen persoonlijke grillen. Een politicus kan van alles willen, maar hij kan worden teruggefloten door het parlement en door een rechter. Pessers geeft toe dat hier wel een verschil wordt verondersteld tussen feitelijkheid en ideaal. Of we die scheiding ook werkelijk in stand houden hangt mede af van het optreden van de mensen die hun functie uitoefenen. Het probleem van de voorbije decennia was vooral dat we de rechtsstaat moesten onderhouden die in de decennia daarvoor was ontplooid. Dat is niet goed gelukt. Om de rechtsstaat te onderhouden heb je goed onderwijs en aansprekende verhalen nodig om mensen hun rol als burger te laten vervullen.

Ik vraag me af hoe het voortborduren past binnen deze problematiek. Het is zeker een privé-activiteit, iets wat je binnenshuis doet, en dus geen betekenis lijkt te hebben voor de openbaarheid. Borduren doe je thuis, en als je de straat op gaat verander je van privé-persoon in burger. Toch suggereerde ik in mijn vorige blog dat je voortborduren kunt zien als vorm van politiek handelen. Daar moet ik nu dus opnieuw over nadenken.

Misschien is het niet voldoende wanneer we de scheiding tussen publiek en privé alleen baseren op de rechtsstaat zelf. Een grens heeft altijd twee of drie kanten. Je kunt je aan gene zijde, aan deze zijde van de grens bevinden, of zelfs erop. Alleen dit gegeven verklaart voor mij waarom Pessers voor mij gezag heeft als rechtsfilosoof. Ze mag dan wel een gepensioneerde oma zijn, er zijn goede redenen waarom Bessems naar haar toe is gegaan om haar te spreken over de problemen die we hebben met onze rechtsstaat. De belangrijkste lijkt me dat de mensen die binnen de rechtsstaat de hoogste positie innemen, de parlementariërs, niet voldoende afstand tot hun persoonlijke obsessies houden en daarmee de scheiding ondergraven. Daardoor geven ze de burgers niet het goede voorbeeld. Er ontstaat een bres en het wordt van kwaad tot erger. Fascisten springen in het gat en spelen hun macht handig uit. Ze provoceren hun medeparlementariërs, waarop hun ofwel het woord wordt ontnomen, waardoor ze hun slachtofferrol kunnen uitspelen, ofwel toegesproken met dezelfde brutale, dreigende bewoordingen die ze zelf bezigen.

Nodig is, aldus Pessers, dat we het gesprek aangaan met de politici die in woord en gedrag de rechtsstaat ondergraven, maar dan wel in het volle besef van de inzet. We moeten eerst voor onszelf opnieuw ontdekken wat de rechtsstaat is voordat we die inzet aan anderen duidelijk kunnen maken. Hier kan de filosoof een rol spelen. En hier begin ik weer voort te borduren.

Voor een filosoof is het duidelijk minder van belang of zhij in naam van haar functie of als persoon spreekt. Integendeel, een filosoof moet alle kanten van een probleem kunnen belichten, en dus alle posities ten opzichte van de grens kunnen innemen. Bij de oude Grieken was dat al het geval. Politiek handelen staat niet los van de persoonlijke ethiek, en de ethiek maakt deel uit van dat politiek handelen. Je moet als burger én als persoon goed weten wanneer je burger of persoon bent. De grens wordt door beide instanties getrokken.

Een moderne gestalte van die scheiding zien we bij de opvatting van Hannah Arendt over onderwijs. We moeten leerlingen beschermen tegen de directe invloed van de politiek, zodat ze in alle rust de wereld kunnen verkennen. Pas als ze dat proces hebben doorlopen zijn ze in staat om de problemen in deze wereld met politiek handelen op te lossen. Politici helpen de politiek dus doordat ze zich niet rechtstreeks met het onderwijs bemoeien, en docenten door leerlingen niet te betrekken in politieke actie.

Je kunt als filosoof wel zeggen hoe je het graag hebben wil. Maar je bent geen wetgever, niet als filosoof of persoon. Je bent in werkelijkheid altijd verwikkeld in een orde die de rechtsstaat omspant, en van waaruit de rechtsorde kan worden versterkt én ondergraven. Dat geldt niet alleen voor filosofen, maar voor iedereen. Ik vind het dus helemaal terecht dat Pessers als gepensioneerd filosoof overdenkt wat er bij ons misgaat.

Ik vat haar pleidooi voor afstand op als de overdenking van een ethos. In je manier van doen, praten en denken, in heel je persoonlijke leven kun je een stemming creëren, of meegaan in een stemming, waarin we de andere kant van de grens laten resoneren. Ik lig hier te schrijven, maar borduur voort op een probleem van onze politiek. Over een paar dagen sta ik als leraar voor groepen en probeer ik hen mee te krijgen in de verkenning van onze wereld. Bij mij doen ze dat door Latijnse en Griekse teksten te vertalen. Dat lijkt wel op borduurwerk, het weergeven van patronen in onze taal.

De bemiddelende rol in het gesprek met Pessers werd gespeeld door journalist Kustaw Bessems. Hij was het die Pessers overhaalde om nog eens mee te denken over onze bestuurscultuur. Het kan haast geen toeval zijn dat we blijven teruggrijpen op pensionado's om het bestuur door te lichten en verbeteringen voor te bereiden. Het is zeker een symtoom van onmacht, onze problemen zijn te groot om van binnenuit op te lossen, en bij gebrek aan beter zoeken we naar krachten van buiten. Daarnaast zie ik de inschakeling van die oma's en opa's als symptoom van iets structurelers. Tussen het ideaal van de rechtsstaat en de afglijdende praktijk hebben we een tussenlaag nodig van mensen die zich kunnen bewegen rond en op de grenzen die samenhangen met de rechtsstaat.

Ik zou de rechtsstaat als een borduurwerk willen zien. Bessems komt er dicht bij met zijn weergave van de filosofie van Pessers:

'Luister met hoeveel liefde en helderheid zij spreekt over de rechtsstaat als fijnzinnig, zich steeds ontwikkelend mechaniek...'

 De kantwerkster van Jan Vermeer | Posterlounge

Het epithalamium van James Joyce

Mijn moeder was eenvoudig, en dat kon mijn vader wel waarderen. Ze kwam van een boerderij, maar had verschillende talenten en het leven spee...