zondag 15 februari 2026

Het epithalamium van James Joyce

Mijn moeder was eenvoudig, en dat kon mijn vader wel waarderen. Ze kwam van een boerderij, maar had verschillende talenten en het leven speelde haar in handen van mijn vader, die haar meenam naar de stad. Een niet te onderschatten rol die ik in deze blogserie al vaker heb aangestipt speelt de godsdienst. De boerderij van mijn moeder vormde een tweeëenheid met het franciscaanse novicenklooster. Iets van hun spiritualiteit kwam over de muur waaien en zo was het niet helemaal toevallig dat mijn moeder mijn vader ontmoette in Lourdes.

Vrouwen vormen de meerderheid als je een kerk binnenloopt. Ooit, toen ik theologie studeerde, was ik op vakantie in de Ardèche en bezocht ik de dorpskerk. Veel vrouwen, uitgezonderd de pastoor. Hij verrichtte de sacrale handelingen die bij zijn wijding hoorden, de rest werd door de vrouwen uitgevoerd. Misschien vormen die vrouwen ook de - nauwelijks - geheime kracht achter de oude Griekse godsdienst. Denk aan de maenaden, en de mysteriën van Eleusis, die gewijd waren aan de mythe van Demeter en Persefone.

Ik lees nu de beroemde biografie van schrijver James Joyce (1882-1941) door Richard Ellmann, en het valt me op hoe vrouwen de loper hebben uitgerold voor zijn succes. Een paar keer achter elkaar lees ik dat deze vrouwen vertrouwd waren met het feminisme, en daarna geboeid raakten, behalve door de literatuur ook door spiritualiteit. Een paar jaar geleden was er in Ierland een expositie over de rol van deze vrouwen. Daarbij was er ook aandacht voor de moeder van James, die er in bijvoorbeeld wikipedia bekaaid vanaf komt. De aandacht gaat meestal naar de opvallende vader, die aan de drank was en steeds weer eigendom moest verkopen om het katholieke kinderrijke gezin te onderhouden. Lees Ulysses (1922) en je hoeft er niet veel van te begrijpen om te zien dat die roman draait om de vader-zoonrelatie. Stephen Dedalus kunnen we zien als de jonge James. Hij probeerde zich met zijn schrijverschap te ontworstelen aan de drankzucht die hij van zijn vader had overgenomen. In de roman is de symbolische vader advertentieverkoper Leopold Bloom, die Stephen graag onder zijn hoede neemt. Toch heb ik het gevoel dat de moeder vanuit de marge een niet te onderschatten factor is in de roman en ook in het leven van James zelf.

In het begin van de roman lezen we over de dood van de moeder van Stephen. James zelf was 21 jaar toen zijn moeder aan kanker stierf. James had toen al Ierland verlaten voor Parijs. Na een korte afgebroken studie geneeskunde (mijn moeder wilde eigenlijk ook dat ik arts werd) bleef hij daar aanvankelijk, en schreef brieven met zijn vrienden en familie. Toen haar conditie verslechterde keerde James terug naar Dublin. Voor zijn ambities als schrijver was uiteindelijk zijn moeder doorslaggevend, zegt Ellmann:

'He had never felt so close to his mother, or so much in need of her approbation, as during the months in Paris, when his letters continually prodded her for sympathy, not merely to obtain money, but to sustain his ambitions. His father had pointed him away from home towards irreverence and footless gaiety, but had none of the indomitable, and at its best, selfless patience which could vindicate a break for freedom. This quality Joyce had to derive, paradoxically, from his conventional, loving mother.' (p.134)

Zijn vriend Byrne heeft daarom ook een punt dat Joyce haar religieuze overtuigingen moet respecteren, ze moet al genoeg lijden. James was al lang daarvoor van zijn geloof gevallen. Dat was voor hem belangrijk, zijn strijd tegen het christendom bleef hem voortaan motiveren. Maar ook als zijn moeder op sterven ligt blijft James onverbiddelijk. Op de aanmaning van Byrne reageert hij ironisch dat hij het voorbeeld van Pascal en zijn patroonheilige Aloysius van Gonzaga moet volgen, en van Christus zelf, door zijn moeders smeekbeden te negeren (p.136). James doelt op het verhaal van de bruiloft van Kana, waar Maria haar zoon smeekt om de gasten uit de brand te helpen als de wijn op is. Jezus zegt tegen haar dat zijn uur nog niet gekomen is (daarna schiet hij de bruidsmeester alsnog te hulp en verandert hij water in wijn).

Deze afwijzende houding laat onverlet dat James de steun van zijn moeder nodig heeft voor zijn ambitie. Als zij sterft duurt het slechts een jaar voordat hij Nora Barnacle op straat aanspreekt, op 16 juni 1904, de dag die zo uitgebreid beschreven staat in Ulysses. Nora is tegelijk meer en minder dan zijn moeder. Meer, omdat hij haar met zijn liefde onder controle kan houden, zelfs of juist als ze kortstondig iets met andere mannen heeft. Dat zien we terug in Molly, de vrouw van Bloom in Ulysses, die voortdurend droomt van andere mannen maar haar man trouw blijft. Nora biedt James minder dan zijn moeder, en dat heeft denkelijk te maken met twee zaken: muziek en religie.

May Joyce, de moeder van James, was muzikaal opgevoed, ze had piano- en zanglessen gehad op een school die geleid werd door twee tantes. James had zijn muzikale talent van haar, en koos een periode kortstondig voor een muzikale loopbaan, met zelfs een paar optredens als zanger. Voor zijn literaire werk is de muziek steeds meer van belang, zelf zei hij dat we Finnegans Wake moeten opvatten als muziek. We kunnen zijn werk zonder veel overdrijving begrijpen als voortborduren op het talent van zijn moeder.

Daarnaast kunnen we zeker ook anders kijken naar de godsdienstige overtuigingen van James, ook als we meegaan met zijn afwijzing van het geloof en zijn levenslange strijd ertegen. Niet dat ik hem voor het christendom alsnog wil inpalmen. Maar misschien is zijn genoemde reactie op Byrne meer dan alleen ironie. Pascal, Aloysius, en als klap op de vuurpijl Christus... Het is hier de relatie tot de moeder die in het spel is, of meer nog, het verlangen dat zijn moeder van hem blijft houden, ook als hij haar vanwege zijn vader heeft verlaten.

Een aanwijzing voor de keerzijde van James' strijd tegen het christendom is zijn opvoeding bij de Jezuïeten. Dat brengt hem bij het Latijn (James leert wel Latijn, geen Grieks) en bij de ideeën van Thomas van Aquino. Daarover lezen we veel in Portrait of the Artist en in Ulysses. Maar al op jonge leeftijd kiest Joyce de filosofische lijn dat we aan literatuur morele kwaliteiten moeten toekennen, wat hij baseert op een uitspraak van Thomas: 'The good is that towards the possession of which an appetite tends' (geciteerd op p. 196-97). Wat het meest vasthoudend wordt verlangd is het ware en het mooie, en dan moeten deze goed zijn. Het goede moeten we dus niet opvatten als een systeem van morele regels of oordelen, maar als iets dat gelegen is in de esthetische kwaliteiten zelf. Dat kan er soms uitzien als amoreel of immoreel, maar in essentie is het moreel in een hogere zin, omdat we er de conventionele opvattingen van moraal mee kunnen ontmaskeren en verbeteren.

Behalve de gerichtheid op stijl en het artistieke is ook de waarheid voor Joyce altijd van belang geweest. De hele biografie van Ellmann laat zich lezen als een overdenking van de manier waarop Joyce elementen uit zijn wereld omvormt en een plaats geeft in zijn romans. Ulysses is deels een reconstructie van het leven in Dublin op 16 juni 1904, maar deels ook een artistieke metamorfose van de banale gegevens, zodat ze in zekere zin verheven worden, of dat hun verhevenheid door de lezer kan worden gezien. De kleinste details worden alleen al door de schaalvergroting zichtbaar.

Misschien moeten we deze metamorfose zelfs opvatten als heiliging. Niet in de zin dat ze uit hun context worden gehaald, door een interventie, zelfs niet die van de schrijver, maar als dingen en gebeurtenissen die vanzelf oprijzen uit het 'gevlekte leven van alledag', zoals bijvoorbeeld de rododendrons. Ellmann legt ook een verband met de komedie als een hoger genre dan de tragedie:

'In his book, Bloom's fondest memory is of an moment of affection plighted among the rhododendrons on Howth, and so is Mrs. Bloom's; it is with her recollection of it that the book ends. In this sense Ulysses is an epithalamium; love is its cause of motion. The spirit is liberated from its bonds through a eucharistic occasion, an occasion characterized by the joy that, even as a young man, Joyce had praised as the emotion in comedy which makes it a higher form than tragedy. Though such occasions are as rare as miracles, they are permanently sustaining; and unlike miracles, they require no divine intercession. They arise in quintessential purity from the mottled life of everyday.' (p.390)

Het doet bijna pijn aan je tanden, deze liturgische taal. Net als mijn moeder hield Joyce van liturgie, maar de ware liturgie lag voor hen beiden niet in de kerk, maar in de bloemen. En die bloemen hangen weer samen met het epithalamium, een gedicht of lied dat wordt gezongen bij de gang van de bruid naar de bruidskamer. Ik denk aan de trouwdag van mijn ouders in Noorbeek, op 10 mei 1957 (of '58?), in een kerk die helemaal versierd was met orchideeën.

Het huwelijk is het sacrament van Joyce, het geheim van zijn relatie met de bitsige Nora (die zijn literatuur niet begreep) was zijn voornemen om het huwelijk centraal te stellen in zijn leven. Huwelijk overigens niet in institutionele zin, want ze trouwden pas veel later, in 1931, maar als monogame relatie. Het ziet eruit als een moraal of als nostalgie naar de kerk die hij had verlaten en die hij bestreed. Maar we komen verder wanneer we zijn werk begrijpen als zo'n epithalamium, het gooien met bloemen op weg naar de bruidskamer.

Misschien lijk ik in sommige opzichten op Joyce, in een minder getalenteerde en verdunde versie, met in mijn geval een brave, toegewijde vader die niet dronk. Toen ik theologie studeerde woonde ik samen met Anja en met een bevriend stel. Mijn moeder mocht die vriend niet, en vond het ook niet goed dat we samenwoonden zonder te trouwen. Mijn vader haalde ze over om mijn decaan in Utrecht te vragen om uitleg, en daarvoor kwamen ze speciaal naar Utrecht. Ik had weinig respect voor de gevoeligheid van mijn moeder. Maar ik herinner me dat ik altijd sterk verlangde naar haar liefde. Als ik thuiskwam raakte ik verzeild in felle discussies met mijn vader, terwijl ik nu juist zo graag met mijn moeder wilde praten.

Is taal, zoals de romans van Joyce of deze blogs, een middel om denkbeeldige controle over die liefde te krijgen, die we zo graag hadden van onze moeder, en nu zoeken in de sublimatie van de dingen in onze wereld? Onze buitenkerkelijke liturgie?

Lezend in de biografie is er ook een andere optie. Ik lees dat Joyce Odysseus zag als de algemene mens, de held van de literatuur, meer dan Dante of Faust. Odysseus wil controle, zeker, en moet met zijn virtuoze tong en zijn boog de strijd tegen de vrijers winnen om zich weer te voegen bij zijn Penelope. Odysseus heeft controle over de taal. Zoals Joyce zegt, begint het leven van Odysseus pas echt als de oorlog in Troje voorbij is en hij op weg gaat naar zijn vrouw. In die zin is het een epithalamium. Maar het is ook het verslag van een illusie. Als Odysseus de onderwereld bezoekt voor route-aanwijzingen, ontmoet hij zijn overleden moeder. Als hij haar wil omhelzen merkt hij dat ze een schim is.

Waarheid heeft behalve met betovering ook te maken met ontnuchtering. De rododendrons zijn ineens gewoon rododendrons. De geborduurde vlinders van mijn moeder hier aan de muur van onze wc worden langzaam donkerder. Demeter doolt rond op zoek naar haar dochter, laat zich opvrolijken door gorgo Baubo, maar Persefone blijft voorlopig, ook na de hereniging, in de greep van Hades. De komedie maakt de tragedie niet ongedaan. Zo makkelijk laat ook de godsdienst zich niet veredelen.

Het Noorbeek van Brigida » Stichting Pansophia
Brigida-blömke

 

  

dinsdag 30 december 2025

Doorgaan met scherven

Scherven brengen geluk maar vind ik niet altijd mooi. Als kunstenaar Bouke de Vries me hier in Leeuwarden met veel nadruk wil laten delen in zijn fascinatie voor scherven heb ik daar moeite mee. Maar er is een rotsvast geloof in mij dat er ook voor mij een toegang is tot zijn kunst.

Zo sta ik voor een klok, een afbeelding van een klok, op keramieken tegels. Een tegel ontbreekt. Blijkens de toelichting had op deze zwarte plek een filmpje moeten spelen. Maar het filmpje doet het niet. Er is nu die zwarte plek. Triomf komt in me boven, lichte, subtiele triomf. Een onbedoelde fout die licht werpt op het schervenwerk! Zo kan ik alsnog vrede hebben met de retorische aanval van De Vries!

Zo functioneert de filosofie meestal als ik naar kunst kijk. Ik ontdek op metaniveau een idee dat haaks staat op de idee zoals die is verwoord. Zo eigen ik me het kunstwerk toe, het wordt nu echt iets van mij. Ik kan nu zeggen: de fascinatie voor scherven komt voort uit een tegenspraak. De scherf mag niet gewoon een scherf zijn, maar moet deel worden van een volmaakt kunstwerk. De scherf mag niet lelijk zijn, maar moet mooi worden. En dankzij de fout op metaniveau, het niet-werkende filmpje, kan het kunstwerk weer mislukt worden, en daarmee de scherf de scherf.

Mijn moeder overleed in 2001 aan aneurysma van haar hartslagaders, een scheuring van de aderwand op een plaats die altijd al kwetsbaar moet zijn geweest. Mijn moeder was op haar manier een schervenpot, de kwetsbare plek was deel van mijn moeder totdat die scheuring optrad. Het past bij het beeld van mijn moeder met haar disclaimers. Als ze gekookt had en de schaal op tafel zette, zei ze erbij wat er fout was gegaan. Mijn vader spotte daar graag mee: 'Bescheidenheid is de wens om tweemaal geprezen te worden, eenmaal om wat er minder is, en eenmaal om je bescheidenheid.'

Een aanwijzing dat mijn moeder hier in het spel is, is ook de verzameling van De Vries van geborduurde versies van het melkmeisje van Vermeer. De Vries zocht op markten naar voorwerpen zoals de melkkan, uit de tijd dat het melkmeisje actief was. Die voorwerpen reconstrueerde De Vries, en zette ze in doorzichtige kastjes op bijzondere pootjes.

De parallel met mijn blogs in deze serie tekent zich af. Ik verzamel herinneringen aan mijn moeder en bedenk er iets bij, alsof het borduurwerkjes naar Vermeer zijn die moeten worden teruggevoerd naar hun waarheid. Het is alsof een geest me maar hints blijft geven voor de oplossing van het raadsel. Waarom zijn die onvolkomenheden, fouten, scherven zo belangrijk? Waarom moet ik het bestaan van mijn moeder rechtvaardigen?

Wat me het meest hindert aan die schervenesthetiek is dat ze extra mooi zouden zijn. Waar ik in mee kan gaan is de poging van De Vries om de scherven te gebruiken als deel van de geschiedenis der dingen. Goed, er zijn scherven. Die kun je weggooien of zelfs lijmen en de breuklijnen wegtoucheren. Maar je kunt de scherven ook inzetten als deel van de geschiedenis. En die gaat door. Je borduurt voort met wat er is, op wat er is. Er is maar één moeder, en wat ik ben is voortborduursel.

Memento mori, Bouke de Vries, 2014

maandag 18 augustus 2025

Praktische filosofie over luisteren is bere-interessant!

Mijn moeder stond erom bekend dat ze zo goed kon luisteren. Als kinderen zagen we ook een andere kant. Als mijn moeder had staan praten met een buurvrouw kwam ze doodmoe thuis. Ze had wel goed geluisterd naar die buurvrouw, maar was geïrriteerd dat die buurvrouw zo slecht kon luisteren. Mijn moeder vertoonde dus wel goed gedrag, maar werd daarvoor niet beloond. We hebben ervan geleerd dat luisteren vaak niet loont. Het levert je wel veel sympathie op, maar je voelt je toch miskend, met je irritaties.

Dit laat onverlet dat goed luisteren een deugd is. Er zijn nu in het politieke veld polarisatiedeskundigen werkzaam, zelfs filosofen, die ons aanraden dat we onze oordelen moeten opschorten en vaker moeten luisteren. Ze suggereren dat dit helpt om de polarisatie te verminderen. Dat zou je kunnen bevestigen met onderzoeken. Maar het interessantste vinden we toch filosofen die praktisch durven te denken. De onderzoeken komen met zoveel wirwar en complicaties dat ons dat niet snel verder helpt. Een praktisch filosoof is juist zo boeiend omdat hij afstand neemt van die wirwar zodat we weer durven handelen.

Zo kom ik bij mijn bewering dat praktische filosofie over polarisatie bere-interessant is.

Zelf beschik ik over te weinig ervaring om een oordeel te vellen over de effectiviteit van luisteren. Ik kan wel weer over mijn moeder beginnen, maar die kent niet iedereen. Uit mijn eigen ervaring weet ik dat mensen met uitvoerige verhalen en stellige oordelen het fijn vinden als ik naar hen luister. Zo voelen ze zich aangemoedigd om met nog meer verhalen en oordelen aan te komen. Luisteren kan dus het effect hebben van een katalysator.

De laatste jaren ligt mijn expertise iets meer bij filosofen als Plato. Die schreef gesprekken op die zijn leraar Socrates voerde met allerlei experts van zijn tijd. Plato heeft dus waarschijnlijk goed geluisterd. Maar de meeste experts werden nogal onderuit gehaald door Socrates, en zijn tijdgenoten raakten zo geïrriteerd door zijn benadering dat ze hem uit de weg ruimden. Socrates is dus geen erg goed voorbeeld voor iemand die gelooft in de deugd van het luisteren. En Plato presenteert zichzelf vooral als aanhanger van Socrates, hij stond niet zodanig boven de partijen dat hij een depolariserende rol kon spelen.

Met al mijn ervaring kom ik dus niet verder dan mijn bewering van zojuist, dat praktische filosofie over polarisatie bere-interessant is.

Werkvorm voor de zorg: Actief luisteren - Boom Management

donderdag 7 augustus 2025

Thuiskomen in metamorfoses

Ik vond het altijd fijn om ergens te vertrekken. Toen ik ouder werd vond ik het fijn om ergens terug te komen. Op een lange fietstocht kon ik me verheugen op mijn thuiskomst waar mijn moeder me stond op te wachten. Dan kon ik lekker vertellen hoe ver we waren geweest enzo. Mijn moeder reageerde altijd geïnteresseerd, maar na de zoveelste tocht nogal flauwtjes.

Nu is mijn moeder er niet meer, maar wel mijn zussen, daar in Limburg. Als ik er ben kom ik bij familie die het thuiskomen verandert. Zo zat ik bij mijn oudste zus en zei Inez dat ik even naar de wc moest. Daar stond een doosje met vogelzang. Dat voelde bijna als thuiskomen, de associatie met het nest, maar ook met de bijzondere dingen op de wc, zoals bij ons thuis de geborduurde vlinders van mijn moeder.

Bij mijn jongste zus keken we samen BB vol liefde. Er zijn allerlei Nederlanders met een BB in het buitenland die liefdeskandidaten op bezoek krijgen. Dat zijn ook weer Nederlanders. Zo opent zich weer een nieuwe ervaring van thuiskomen. Je vertrekt, want dat wil je. Maar in den vreemde creëer je je thuis naar het model van thuis. Dan kies je je partner naar het model van de mensen thuis. Nederlands, whatever that may be.

Je krijgt een intieme blik in onszelf als koloniaal. Je moest de wereld veroveren en missioneren. Je slaagde erin je daar - heel ver weg - thuis te voelen door die donkere ander als afzetpunt in te zetten. Zo vond je je identiteit zonder je trots als zelfstandige heer op te geven. In den verre was je meer thuis dan je thuis ooit had kunnen zijn.

Misschien dat mijn filosoof Agamben zoiets bedoelt met thuiskomen waar je nooit geweest bent. Hij gaat nog weer verder. Wij maar denken dat je echt iemand bent daar, in die landen. Maar hij zegt dat je een ander bent, het ik is een ander. Hooguit kun je zeggen dat je iets hebt. En wat je hebt is in wezen helemaal niets. Oké, denk ik dan, je neemt een boot vol kruiden mee en een hoop goud. Maar je blijft tegelijk naar de kerk gaan waar je hoort dat je daar iets had moeten brengen. Zo weten we nog steeds niet waar we thuis zijn, of dat ergens een plek is ofzo.

We zijn ook nog naar een museum geweest, met kunstwerken van een Antilliaanse schilderes (Rinella Alfonso) en van een Limburgse kunstenaar (Charles Eyck). Deze laatste past deels in het koloniale verhaal. Hij maakte religieuze kunst, bijvoorbeeld een expressionistisch Christusbeeld. Zo trok hij de aandacht van een arts op Curaçao die ook van kunst hield. Eyck kwam er voor inspiratie maar ook om iets te brengen. De prachtige huiveringwekkende olieverfschilderijen van Alfonso zou je kunnen zien als voortzetting van deze beweging. Ze brengt iets daar in Heerlen wat geïnspireerd is door Curaçao én door Eyck. Er gaat iets heen en weer, de plaats doet ertoe en doet er niet toe. De Geest waait waarheen Zij wil.

Het lijken wel spoken, op die doeken van Alfonso. Maar het zijn ook kammen. Huiselijke voorwerpen. Met tanden die kunnen bijten. Is de Geest soms een spook geworden? Ik zie mezelf weer terug in mijn kelderkamer, met dat schilderij van Van Gogh, die schedel met sigaret. De onderwereld onder het huis waar je woont en waar je vertrouwd bent met de geesten. Het kunnen je vrienden worden. Ze dragen altijd iets van wraak en gerechtigheid in zich.

Misschien zijn we toe aan een nieuwe thuiservaring, wie weet. We worden gedragen door bijvoorbeeld de kunst of wat we lezen. Of dat nu per se altijd unheimlich is... Met een leerling verkennen we in een werkstuk nu een soort omkering van Freud. Niet het huis maar het hotel. Je komt er thuis om te vertrekken. Je gastheer schuift de rekening onder je neus maar je had al betaald. Zo ben je in wezen onschuldig.

We verbleven in hotel Vaeshartelt, het vroegere lustoord van uitbuiter Regout. Je wordt verwelkomd door twee sfinxen die meteen herinneren aan Freud en de dwang om snel te interpreteren anders word je gewurgd. Kunnen we die sfinxen ook anders passeren? Ga ik toch weer naar de wc, de wc van onze vlinders en vogelzang. Nu pis ik in de bak met de letters Sphinx. Er stroomt weer iets, het voelt als thuiskomen.



vrijdag 6 juni 2025

Mend the gap - Frederiek exposeert onze vlinder

Laat je niets wijsmaken, de aarde is nog steeds het centrum van het heelal. In ander verband heb ik begrepen dat dit niet per se te wijten is aan narcisme of dogmatische verstarring. Het is ook iets in de wereld zelf, iets in de dingen wat ertoe komt om aan ons te verschijnen. Hoe de dingen aan ons verschijnen is in die merkwaardige gecentreerde structuur. Daarvan getuigen al deze blogs, ze zijn geordend naar de toevallige doch dwingende ordening van het ik (of wat dan ook) dat ergens is, hier en nu.

Zo ook mijn dochter, een van de twee, Frederiek, die gisteren exposeerde met haar artistic research in Amsterdam. Het was een gigantische poster geworden met concentrisch geordende namen, met haar eigen naam als stralend middelpunt. Daaromheen de namen van haar ouders, daaromheen van haar grootouders enzovoort. Ertussen en eromheen de gegevens over haar familie voorzover die te maken hadden met textiel. Frederieks artistieke werk is vooral gerelateerd aan textiel. De suggestie is duidelijk, je kunt je afkomst zien als een enorm complex weefsel in materiële en metaforische zin. Via het weefsel kun je de wereld verkennen, je kunstwerk is zoiets als (weer een andere metafoor) een Hubble die om de aarde draait en je zicht op de kosmos verbetert, steeds meer verweven data oplevert.

De link met de geborduurde vlinders van mijn moeder was makkelijker te zien dan in mijn andere blogs van deze serie. Hoog in de poster een fotootje van een van de vier vlinders, met een lijntje gerelateerd aan de naam van mijn moeder. Er was veel wit omheen, het is work in progress en veel gegevens wachten nog op ontdekking. Of die ontdekte gegevens ook in artistiek of filosofisch opzicht essentieel zijn is niet per se gezegd. De dynamiek van de ontdekking is centrifugaal. Met elke ontdekking neemt het wit toe, en wel in grotere omvang dan die gegevens. Het wit zit overigens niet alleen aan de buitenkant, Frederiek gebruikte lang geleden al de muzikale metafoor interval om de relatie tussen de gegevens te typeren.

Dat het wit onze speciale interesse verdient lees ik ook in de beschrijving in de folder: 'Can textiles become a site for re-membering the past lives of women?' Met textiel zit je al gauw in het leven van vooral vrouwen, zeker in het verleden. Herinneren of gedenken is niet makkelijk wanneer de gegevens niet voor het oprapen liggen, de geschiedenis is het terrein van mannen. Je moet dus aan het werk, er moet onderzoek worden gedaan. In het geval van Frederiek betekent dit onder meer dat ze haar poster moest oprollen en op de fiets moest meenemen naar het Sloterpark, hopend dat niet alles volledig in de war zou worden geschud en gewaaid.

Als je de poster wil zien als een kunstwerk, zou je oog eerst kunnen vallen op de conceptuele laag. We zien namen en afbeeldingen waarbij de idee belangrijker lijkt dan de materiële uitwerking. De arbeid waaronder het fietsen van Frederiek en de arbeid van de talloze vergeten vrouwen aan hun textiel blijft ook in dit kunstwerk vooral zichtbaar op conceptueel niveau, de ervaring blijft op afstand, en is in zoverre een gap. Maar ook daarop heeft Frederiek iets bedacht. Als er iets ontbreekt in de gegevens, en ze ontdekt dit, dan gaat ze hiermee aan het werk. Het ontbrekende textielstuk kan bijvoorbeeld alsnog worden gemaakt. De kunstenaar kan hier de onderzoeker aanvullen: waar reconstructie niet mogelijk is, wordt de artistieke fantasie ingezet als hulpmiddel. De foldertekst gebruikt hier ook de term mending, het herstellen van een textielgat. (Op de terugweg in de metro hoorde ik weer 'Mind the gap', en dat heb ik met de titel van deze blog dus even hersteld.)

Het bescheiden streepje in de spelling van re-membering kun je misschien ook duiden als zo'n gap. Je bent altijd al lid van je familie, daar is geen ontkomen aan. Maar dit is een conceptueel inzicht, het komt steeds minder overeen met onze ervaring. De enorme familiestambomen bevatten vooral namen, jaartallen. Op tv ontdekken BN'ers dat ze een wonderlijke afstamming hebben, wat statusverhogend werkt. Ze staan weer eens extra in de aandacht.

Mijn moeder paste deels in die historische interesse. Ze las over koningshuizen en was geïnteresseerd in al die afkomsten en familierelaties. Het was geen re-membering van haarzelf maar van de vorsten waarvan nu eenmaal de gegevens al bekend waren. Via de poster van Frederiek zou ik er ook anders naar kunnen kijken. Allereerst natuurlijk naar het aandeel van de vrouwen in al die dynastieën. Door het symmetrische model (vader contra moeder als poort naar het verleden) is er vanzelf meer aandacht voor de vrouwen.

Daarnaast, en daarboven, is er die vlinder, de geborduurde vlinder.

Mijn moeder was niet artistiek in de zin dat ze schiep uit het niets. Ze nam patronen over uit de tijdschriften. Haar gevoel voor kunst had meer te maken met smaak, een bepaald soort smaak. Geen barokke overvloed, maar simpele figuren en kleuren. Op haar manier hield ze van eigentijdse kunst. Niet in een museum of een boek, wel in kerken. Kerken moesten liefst modern zijn, met veel beton en glas, en natuurlijk gebrandschilderde ramen.

Misschien krijgen we zo meer helderheid over dat streepje tussen re- en -membering. Het gaat over een streepje dat er al was voordat het gezet werd, het was er als gap. De foldertekst maakt het streepje zichtbaar, 'gives visibility' om een andere term uit de tekst te gebruiken. Het verbindt ons lidmaatschap van de familie met de herneming van dat lidmaatschap, de metamorfose ervan, zou ik graag zeggen met het oog op het symbool van de metamorfose bij uitstek, de vlinder.

Daarom stel ik voor om - althans binnen het frame van deze blog - artistic research te veranderen in artustic research, waarbij de aandacht valt op het verband tussen ars (kunst) en artus (ledemaat), kunst als mogelijkheid om het individu te veranderen in een lid of ledemaat rond de gap, het ongeziene, het vergetene, het nietige.



 

vrijdag 21 maart 2025

Kijken naar mijn moeder door de ruiten van poëzie

Het kan haast geen toeval zijn dat het vandaag 21 maart is. De vlinders vliegen uit, en daarmee gaan mijn gedachten ook naar mijn moeder. De geborduurde vlinders op onze wc, het erfstuk van mijn moeder. Ze stierf ooit op 21 maart. Dood en geboorte raken elkaar op deze dag.

Het kan haast geen toeval zijn dat ik me een week of wat geleden weer eens aan gedichten waagde. Op goed geluk koos ik een bundel van een bekende naam, de onlangs overleden Esther Jansma, en in de online bibliotheek kwam eerst haar bundel Eerst bovendrijven. Bovendrijven, ja, want water speelt een belangrijke rol in deze gedichten. Voordat er eerst was, was er water.

Kan ik een verband leggen tussen mijn moeder en water? Ja, niet zo moeilijk. Ons huis stond op grond die daarvoor moerassig was, vlakbij de Geleenbeek in Heerlen-Noord. Ik werd geboren in een huis op water. Later verhuisden we een straatje verder, wat meteen ook een paar meter hoger lag. Liepen we naar mijn geboortehuis, dan stroomde daar soms het water door de straat.

Het kan haast geen toeval zijn dat de bundels die ik lees gaan over de moeizame relatie tussen dochter-dichter en moeder. Eerst las ik Louise Glück, nu dus Esther Jansma. Ik lees: 'Je vindt me mooi? Ik ken de kou van mij/ in de uiterst aandachtige adem van mijn maakster/ liggen schamen. Nooit was ik genoeg.' De vrouw heeft pech dat ze nooit eerst is, de geschiedenis begint bij Jansma met Adam die bovenop de mast staat en daarna pas komt de vrouw.

Eerst maak ik dat Adam op een been op de mast/ van een schip is gaan staan. Het zijn de oerdagen// waarvan men zegt dat de zee al bestaat, het is/ de tijd dat niemand naar hem omkijkt en alles kan. (...) Hij vliegt niet weg want hij moet nog aan wal./ Hij moet haar nog ontmoeten die zijn ringvinger// boeit en appelboompjes aanwijst als schuldig.

Mijn moeder kreeg eerst - 'eerst' - twee dochters, die het heel moeilijk hadden en hebben. Toen ze mij kreeg was ik misschien wel de man, ik moest de man worden op de top van de mast. Totdat ik me realiseerde dat ik nog naar beneden moest, er moest nog van alles gedaan worden. 'Welkom bij de familie' zeiden mijn broers en zussen toen ik ook bezweek, alweer een tijd geleden, onder de toekomstdromen van onder anderen mijn moeder.

Moeizaam hoeft niet altijd tegen je te werken. Moeders weten alles van moeizaam, onze moeder had het ook niet makkelijk. Toch is ze ooit ontsnapt, aan de zwaarte van het boerenleven, naar de stad, de toekomst, haar kinderen. Het is de kunst om binnen die zwaarte de uitgang te ontdekken. Er wordt gezegd dat Jansma die in het slotgedicht ontdekt, 'Het raam uit, de dakgoot over': (...) het raam uit de dakgoot over tot het plat dat niemand/ beneden kan zien. En daar is het. In de winterse/ zeiknatte stilte drijft daar een windpraam van licht.'

Het kan haast geen toeval zijn dat Jansma betrokken was bij de opgravingen van Romeinse schepen rond Utrecht. Ze was gespecialiseerd in jaarringenonderzoek. Bij die praam zou je kunnen denken aan een schip, 'het plat'. Het schip brengt je misschien vanuit het huis in de wereld en de geschiedenis. Of ga ik nu te ver met mijn interpretatie, maak ik het gedicht te plat? Ja, de richting is eerder andersom, van de wereld terug naar huis.

'Ooit moet hij hierheen zijn gedreven op vreemde/ onwaarneembare stromen wellicht bij toeval/ aan de kade van loodgrijze daken zijn vastgeraakt/ en gebleven. Zie het deinen van schijnsel door de ruiten/ de vele planten die daarbinnen zijn gaan groeien.'

Ergo: vanaf die platbodem op dakgootniveau kun je weer kijken naar dat huis, dat begin, het gevaarlijke 'eerst'. Er blijkt toch nog van alles te groeien.

Romeinse oudheden bij Stichting Stadskraan en Museumwerf Vreeswijk |  Museumwerf

zaterdag 30 november 2024

Luisteren naar het zwijgen - Het toneelstuk Branden

Een van de geheimen van de groeiende autocratie is misschien de moeder. Verloskundige Beatrijs Smulders zegt zojuist in de krant dat het geen toeval is dat Trump, net als Stalin en Hitler, een bitch van een moeder had. Zo zou je ook het gewelddadige testorijke leven der mannen kunnen zien als voortborduren, al is het, - met Herman Finkers - borduren van harde porno.

Zit er dan toch een les in het toneelstuk dat hier gisteren werd opgevoerd? We zagen Branden van Abdel Daoudi, geschreven door de Libanees-Canadees Wajdi Mouawad. Veel spektakel, veel geweld, met inderdaad ook brand onder de toneelvloer, afgeblust met drie emmers water die in het graf van de moeder werden leeggegoten. Blijkens de recensies is het een stuk met een cultstatus, vijftien jaar na opvoering in Nederland opnieuw vormgegeven met andere acteurs, van wie ik alleen de geweldige Malou Gorter kende, de moeder.

Erover schrijvend, aarzel ik tussen twee opties. De ene is die van het testament, dat ik onlangs nog besprak naar aanleiding van de film Waarom Wettelen? De film had ook 'Moeders wil is wet' kunnen heten, naar het radioprogramma dat mijn moeder graag luisterde, met verzoeknummers, of, oké dan maar, 'Moeders wil is Wettelen', moeder wil niet hier worden begraven en daarom moeten we naar Wettelen, het wordt hoe dan ook een tocht, een zoektocht of pelgrimage. Moeder is heilig, wat verwarring brengt, en het besef van je komisch tekortschieten. Dat theatraliseer ik graag, en deze blogs zijn daar een uitvloeisel van. Ik probeer nog steeds te spelen dat ik kan voldoen aan moeders wet. In het toneelstuk wordt deze optie in mijn ogen gesymboliseerd door de clownsneus die de baby meekrijgt als moeder hem moet afstaan. Toch een soort van relikwie naar later blijkt.

De andere optie is die van het zwijgen. De moeder kan eigenlijk niet anders dan zwijgen na wat haar in de oorlog overkomen is. Daarvoor was ze 'de vrouw die zingt'. Maar bovenal was ze de vrouw die schrijft. Ze leerde ooit lezen en schrijven om te kunnen ontsnappen aan het eeuwige geweld dat maar doorging in haar dorp. Een testament heeft natuurlijk ook alles met zwijgen te maken. Je kunt het na je dood allemaal niet meer zelf vertellen, dus geef je brieven mee aan de testament executeur. En je zwijgt omdat je mede door dat schrijven op weer een andere manier bent meegezogen in de gruwelen, en je zwijgen een soort ideale registratie is geworden, een verbeterde versie van het schrijven.

Als er dus al een les te leren valt uit Branden, dan zou het kunnen zijn dat we even geen les moeten leren, maar moeten luisteren naar het zwijgen, en in dit geval dus naar het zwijgen in het spektakel. In de wet van de moeder zit dat zwijgen op een of andere manier geborgen, het geeft een draai aan dat spektakel.

(Ik veroorloof me hier een kleine verwijzing naar filosoof Agamben, die zijn bespreking van La société du spectacle laat uitlopen op het beeld van de nachtvlinder die danst rond de brandende nachtlamp en wordt verteerd (zie ook deze blog). Met die vlinder zijn we meteen weer bij het centrale beeld van deze blogserie, de vier vlinders die mijn moeder ooit heeft geborduurd en die hier hangen aan de wc-muur, een zwijgend testament.)

Mijn moeder kon zwijgen, vooral 's ochtends, als ze weer slecht had geslapen en boos of verdrietig was. Het bracht me van slag. Misschien heb ik mijn belangrijkste geschenk dat ik van haar kreeg, de boeken die ze voor me meebracht uit de bibliotheek, wel met dat zwijgen geassocieerd. Misschien is mijn lezen en schrijven een poging om in verwarring te voldoen aan de wet die ik meende te bespeuren in mijn moeders boze, geïrriteerde - of verdrietige - zwijgen. Zo trok ik het me altijd aan dat ik mijn moeder teleurstelde. Ik ben geen arts geworden, ik ging samenwonen in plaats van trouwen, ik wisselde van studie. Het is vooral het zwijgen dat me trof, en waarvoor ik gevoelig ben gebleven en dat ik heb opgezocht zoals de vlinder de nachtlamp.

Het is moeilijk om in het schijnsel van zo'n brandende lamp de koude bitch goed te onderscheiden van het liefdevolle warme hart. Dat verklaart misschien waarom we zo'n gespannen relatie hebben met onze broers en zussen. We zoeken elkaar op om ermee te leven, maar zijn daar vaak niet toe in staat omdat we ons niet opgewassen voelen tegen die enorme sublieme wet, moeders wil, en dan schiet het gebaar van de vader (een soort Phersu, de clown, zie ook deze blog) tekort. In het toneelstuk wordt de verstrengeling van broers en zus naar een culminatie gebracht, met de drive van Sophocles. Dat werkt bevrijdend in twee opzichten, naar het model van Aristoteles. Enerzijds zijn wij opgelucht dat ons lot een stuk draaglijker is dan dat van de personages, anderzijds hebben we de uitersten gezien waardoor we ons kunnen uitleveren aan de sfeer van het gemengde en gemiddelde, na het spektakel hebben we even geen spektakel meer nodig. Katharsis, 'reiniging van emoties'.

De gevaarlijke kern waar de vlinders in dit stuk naar dansen is dat liefde mogelijk is, zelfs voor de ultieme monsters met wie ons politieke lot steeds meer verbonden raakt. Begrip, zouden we de toneelschrijver willen antwoorden, begrip, geen liefde alsjeblieft. Dan komt het te dichtbij. Dan wordt het allemaal te christelijk, in de extreme varianten nog wel van een Christus of van de martelaren. Liefde kan alleen komen van de moeder, en neemt dan die dubbele vorm aan van het zwijgen en het testament.

Of nee, toch niet, we waren het zingen even vergeten. 'De vrouw die zingt', zo stond de moeder bekend in de gevangenis na haar gelukte aanslag op de bendeleider. Ergens in mijn voorgeschiedenis moet ik die verbinding zien terug te vinden. Mijn moeder zong niet, maar ze zette wel graag plaatjes op. En ze was opgevoed met de spiritualiteit van de franciscanen, de 'narren Gods', er was dus wel degelijk een band tussen zingen, clownerie en liefde.

Daarmee lijkt dan toch een les te kunnen worden gelezen uit Branden. Om hoop te koesteren, of kracht om het leven aan te kunnen, moet je misschien niet kijken naar de donkere toekomst. Je kunt ook teruglezen, het verleden in, en dan stuit je op iets dat door alle spektakel heen leesbaar wordt, hoorbaar.

Too Much and Never Enough — the scathing new Trump memoir



donderdag 1 augustus 2024

Vertrouwd met stoffen - De wandtapijten van Marga-Tas

Ik heb al een weg afgelegd met mijn opvatting van het eigene. In de jaren tachtig leerde ik dat het om de Ander ging, en dat vervreemding zowat de minimumervaring van de kunst moet zijn. Ik moest mezelf vreemd worden, me exposeren aan de Ander, ook binnen mezelf. Later begreep ik dat ik toen al bezig moet zijn geweest met toeëigening, van de voor mij vreemde en onbegrijpelijke teksten van de filosofie. Ik maakte me die teksten eigen, waardoor ik weer de verdenking op me laadde dat ik niets meer te zeggen had: Anton, je noemt nou alweer filosofen, maar wat denk je nou zelf?

Misschien drukt de titel This is not the end of the road wel uit welke weg ik aan het afleggen ben. Tussen haakjes, wat een vreemde uitdrukking eigenlijk, dat 'afleggen', alsof je de laatste stap zet in het afscheid van een vertrouwd lichaam van iemand die je eigen was. Bijvoorbeeld mijn moeder, aan wie deze blogserie gewijd is. De weg die ik afleg is nog niet afgelegd, dit is niet het einde. Mijn moeder is nog warm en is nog bij me.

De titel hoort bij een expositie in museum Bonnefanten, van de Poolse kunstenares Malgorzata Marga-Tas (1978-). Ze werkt met stoffen die ze uit een andere omgeving haalt, die eerst hebben gefunctioneerd als kleding, lakens, gordijnen. Je zou dus van vervreemding kunnen spreken, de manier waarop de stoffen waren gebruikt is afgelegd, de stoffen komen vrij voor ander gebruik, en wel voor de kunst. Marga-Tas borduurt niet of nauwelijks, maar er is zeker wel sprake van voortborduren.

Dat is bijvoorbeeld te zien in de indrukwekkende serie wandtapijten met de titel Re-enchanting the world. Marga-Tas heeft zich laten inspireren door een serie fresco's in Ferrara, in het Palazzo Schifanoia. Centraal staan daar de tekens van de dierenriem, aan elk teken is een fresco gewijd. Het bestaat uit drie lagen: bovenaan taferelen uit de Griekse mythologie, in het midden het teken van de dierenriem met drie persoonlijkheden die daarbij horen, en onderaan taferelen uit het dagelijks leven van de hertog van Ferrara. Marga-Tas borduurt hierop voort, in de zin van toeëigening, door taferelen van het Roma-volk uit te beelden en vooral van vrouwen. Dat heeft natuurlijk wel een vervreemdend effect, maar zou je evengoed of beter vertrouwd maken van het vreemde kunnen noemen. Als je naar die wandtapijten kijkt wordt de vreemde wereld van de Roma vertrouwder. Je komt ermee in contact alleen al vanwege het materiaal, de stoffen die de blik doorleiden naar het tastzintuig.

Tegenwoordig geen kunstwerken zonder filmpjes erbij. We zien de kunstenares in actie met helpers, die vaak ook de personen zijn die worden afgebeeld en de helden van haar alledaagse taferelen (misschien was dat bij die hertog van Ferrara ook al zo). Ze staat op een verhoging, de tapijten liggen op de grond, en ze heeft het overzicht zodat de figuren op de juiste plaats in de compositie worden geschoven. Dan worden ze vastgenaaid op de achtergrond, met de hand of de machine. En dan hoeft alleen nog het fluweel te worden geborsteld, de achtergrond van de middenlaag. Ik weet niet meer welke term Marga-Tas voor dat fluweel had, maar vriendelijk was die zeker niet. Vreselijk karwei, je bent bijna klaar maar het is nog niet the end of the road. Je moet nog verder.

Bijzondere aandacht had ik natuurlijk voor 23 oktober, de geboortedag van mijn moeder. Op mijn mobiel zag ik dat deze bij sterrenbeeld Weegschaal hoort, maar volgens een andere site bij Schorpioen. Ik zit nu in een dilemma. Hoe breng ik de wandtapijten in verband met mijn moeder, toch het patroon van deze blogserie? Daarbij komt nog het dilemma of ik niet ook voor de sterfdatum van mijn moeder kon kiezen, 21 maart. Enfin, ik koos voor de geboorte en voor Weegschaal, ook al omdat daar een geboorte staat afgebeeld. En wel in de bovenlaag, de laag van de mythologische taferelen van het Roma-volk.

We zien drie vrouwen, bij bomen en een liggend paard. De barende vrouw, de vrouw bij haar hoofd en de vrouw die het kind uit haar helpt brengen. Deze laatste vrouw heeft een opvallende rode jurk aan, waardoor je zou kunnen denken aan bloed, of aan een feest, de kleur heeft de gevoelswaarde beginnend leven. Misschien verbindt die rode kleur dit tafereel ook wel aan de onderste laag. Daar zien we een vrouw in de weer met een kip, die ze slacht of plukt. Daar zie ik juist weer geen bloed, maar wel een gezellige huiselijke sfeer, met een man, een jongere vrouw, kinderen en een hondje. Alles en iedereen is in vrede bij elkaar, mens en dier, dood en leven, buiten en binnen.

Elk tapijt is omlijst en daarmee ook afgescheiden van de andere tapijten met twee afbeeldingen van Griekse zuilen met cannelures. Je zou dit een vervreemdend element kunnen noemen bij die Roma-mensen en Roma-cultuur, maar evengoed of beter kun je het zien als het helpen brengen van die cultuur binnen de onze, waar kunst als iets heiligs en verhevens wordt gepresenteerd. De zuilen verwijzen kortom naar onze toeëigening, we accepteren die wandtapijten als iets dat het waard is om te worden getoond op een belangrijk podium, waar kunst in principe onaantastbaar is.

Het kunstwerk met de wandtapijten werd door Polen gezien als waardige vertegenwoordiger voor de Biennale van Venetië in 2022. Nog ten tijde van PIS liet Polen met deze kunst een ander gezicht zien, anders dan hoe wij nog vaak naar Roma kijken, als exotisch, of misschien ook hulpbehoevend, vanwege de vijandschap van het Hongarije van Orbán. Hier zien we kunst die al is erkend, die door Bonnefanten al deels is aangekocht, het is een gepasseerd station, hoewel nog niet 'the end of the road'.

Nog even terug naar mijn moeder. Misschien zou zij als ze deze tapijten had gezien eenzelfde reactie hebben gehad als twee Maastrichtse oudere vrouwen. Ik hoorde hen in dialect praten over de indruk, de imposante hoeveelheid. Dat terwijl deze kunst toch allemaal ook de associatie oproept met onze gewone kleren, gordijnen en de technieken van stofbewerking. De vrouwen verdiepten zich niet in de Roma, de geschiedenis die werd uitgebeeld, de symboliek, waar je jaren op zou kunnen studeren.

Voor weegschalen is contact en verbinding heel belangrijk. Een gespannen sfeer gaan ze liefst uit de weg. Mijn moeder liep weg als ik met mijn vader felle discussies voerde over Amerika, het communisme en Vietnam. Toen ik later met mijn vriendin en een ander stel ging samenwonen was mijn moeder zo boos dat ze mijn kleren niet meer wilde wassen. Een tijd later was ze dit weer vergeten en vroeg ze me waarom ik mijn kleren niet meer meebracht om ze te laten wassen.

Malgorzata Mirga-Tas, uit Re-enchanting the World 

 


woensdag 24 juli 2024

Opgeslorpt door een oude moeder - De film Thelma

Als iemand bijzonder is, en wie is dat nu niet, vinden we dat iets moeilijks. Dat moeten we verlichten. Dus kan het wel zo zijn dat we ernaar streven om met die moeilijke mensen samen te leven, en dan kan het ook nog eens gebeuren dat we van ze gaan houden. Daarvoor hebben we fantasie nodig. Beelden die ons opslurpen zodat wij de bloem zijn of de kolibrie. Bijzonder en toch onzeker wie van de twee, bloem of juist die kolibrie.

Model daarvoor staat de moeder. Met je moeder was je al versmolten voordat je werd geboren. Daarom willen we in iedereen de moeder zien, of een afsplitsing, eventueel een verre afsplitsing. Een dier, een plant kan ook. Dat zijn fantasieën die ons verder helpen. Aristoteles bedacht ooit dat in zijn tijd de tragedies werden opgevoerd (waarin de held zelfs trouwt met zijn moeder) omdat we zo'n lol hebben in nabootsing. Er wordt iemand nagedaan, of een situatie in het leven, en dat is huilen of lachen. Het is een soort doorspoeling (katharsis) van onze emoties.

Kom ik dus nu met mijn theorietje dat je dat kan helpen om met moeilijke mensen samen te leven of zelfs van hen te houden. Dan maken we er groepen van, categorieën, en dat past ook wel bij hoe Aristoteles naar de dingen keek. Het lijkt of we een moraal aan het fabriceren zijn, hoe je je moet verhouden tot bepaalde groepen, zeg maar mensen die het moeilijk hebben, wat ons medelijden oproept, of mensen die erg vervelend zijn, zodat we blij zijn dat we die mensen juist niet zijn. Als we dan eenmaal die emoties hebben, kunnen we ze doorspoelen (katharsis) en weer verder alsof er niets gebeurd is.

Gisteren was ik met Maarten weer eens naar de film, Thelma, om onze emoties door te spoelen ofzo, en het ging over een moeder (check), behandeld als voorbeeld van een groep die het moeilijk heeft (oude mensen) en moeilijk zijn (we moeten iets met hen) (check). De optredende moeder was ook nog eens een imitatie van de echte moeder van de regisseur, die hij na de aftiteling nog even in beeld bracht, met een imitatie van een scène uit de film. Dan is het al wel heel erg Aristoteles.

Nu is bekend (bijvoorbeeld van De naam van de roos, boek en film) dat Aristoteles zijn theorie wel een beetje had uitgewerkt voor de tragedie, ook voor de komedie, maar dat deze laatste niet bewaard is. Die moeten we er zelf bij denken. De film Thelma is duidelijk een komedie, bedoeld om te lachen, en bij mijn theorietje heb ik deze film in gedachten. We lachen om de oude Thelma (93) die helaas opgelicht wordt, maar erg daadkrachtig is en haar geld bij de schurk gaat terughalen. Ze rooft zelf een scootmobiel bij een oude vriend in het verzorgingstehuis, neemt die vriend ook nog mee en ze gaan de straat op.

O ja, er is nog een stukje imitatie in het spel, omdat Thelma zat te kijken naar Tom Cruise, die al zijn stunts zelf doet. Er werd niet bij verteld dat - ik dacht zelfs precies bij die scène - Tom zijn been brak, maar Thelma komt er ook niet helemaal ongeschonden uit. En ik moest nog voor ik die film zag denken aan Thelma & Louise, een actieroadmovie van weer een bijzondere groep, vrouwen in plaats van mannen.

Actiefilm, Aristoteles... er moet een plot bij, zegt Aristoteles, dat wordt afgewikkeld volgens een bepaald patroon. Ik moest denken aan een oud-collega van Maarten en mij, die leerlingen opdroeg dat patroon in films te ontdekken. Dat roept weerstand op, bij mij althans, ik ga die film dan zien als een morele les en de film wordt overstemd door een leraar die gezag opeist. Maar deze film Thelma was best goed, en bouwde zijn eigen weerstand in.

Zoals die bloem met kolibrie (check) die in beeld kwam toen Thelma een revolver ging stelen bij een oude vriendin, die zat te kijken naar een natuurprogramma op tv. Het is een contrastbeeld, die kolibrie hangt in de lucht, slaat zo snel met zijn vleugeltjes dat je de beweging niet meer ziet. Je kunt rustig een paar trappen op strompelen, revolver stelen, weer terugkomen, en dan hangt die kolibrie daar nog steeds. De actie roept dus niet alleen maar actie op, maar ook tegenactie, in dit geval zelfs non-actie, en die non-actie zegt evenveel, zo niet nog meer, over de film.

Afijn, Thelma komt met haar Ben aan bij de plaats waar ze haar geld naartoe had gestuurd, en moet daar gaan zitten wachten op de schurk, die het vroeg of laat zal komen ophalen bij postvak 21. Zolang zitten ze op een bankje, en dan haalt Thelma haar borduurwerkje uit de tas. Ze zet haar bril op en gaat rustig zitten borduren. Het is het perfecte midden (ook dat past weer bij Aristoteles) tussen felle actie en de echte freeze van de kolibrievriendin. Je doet iets, maar ook weer niet iets dat je langer dan nodig in beeld moet brengen.

En zo komen we dan toch weer bij mijn eigen moeder, en de geborduurde vlinders die hangen op onze wc. Mijn moeder leek verder echt niet op Thelma. Toch kun je mensen weer niet zo makkelijk in groepen indelen, het een roept het ander op. Als je goed kijkt zie je hoe kolibries bloemen zijn, bloemen geborduurd worden, en waarom dan niet ook vlinders... Ik zie mijn moeder nog zuchten als we op vakantie moesten, maar dan kon ze in onze kleine Renault 4, waar we met zijn zevenen in zaten, met plezier wegkruipen in de kattenbak, tussen de etenstassen en de koffie. Beetje roadmovie.

Kolibrie en bloemen, kolibrie tijdens de vlucht, wilde vogels en bloemen, voor vogelliefhebbers, voor natuurliefhebbers, Titel: Waar te beginnen afbeelding 1

donderdag 9 mei 2024

Symbolen in bloei

Geen idee of mijn moeder ooit in Paleis Het Loo geweest is. Ze las graag verhalen over koningshuizen en was op de hoogte van de complexe familieverbanden van al die dynastieën.

De aanleiding voor ons bezoek gisteren was anders, Inez gaat iets schrijven voor het blad Nieuwe Veluwe over de expositie Bloom die er nu plaatsvindt. Bovendien is Apeldoorn altijd een leuk uitje, zeker in de stressvrije vakantie. Onderweg in de bus zie je de rododendrons prachtig in bloei staan.

Bloom gaat over de bloemen die je in het paleis nog steeds kunt zien, maar ook over de afbeeldingen van bloemen en de geschiedenis, die zich verdicht in de fascinatie van Mary Stuart voor bloemen. Het gaat hier niet om de gade van Hendrik VIII maar om Mary Stuart II. Hier raak ik het spoor al bijster, want Wikipedia helpt me niet echt verder met de vraag hoe beide Mary Stuarts zich tot elkaar verhouden. Maar het is Mary Stuart II die trouwt met stadhouder Willem III.

De link met mijn onderwerp, voortborduren, naar aanleiding van de door mijn moeders geborduurde vlinders die nu op ons toilet aan de muur hangen, is al evident. Vlinders houden ook van bloemen, en bloemen verschijnen in de zeventiende eeuw in Nederland ook in afgebeelde vorm, met name in stillevens. In een zaal kwam ik een jurk tegen met bloemmotieven van kunstenaar Claes Iversen. De toelichting is getiteld Voortborduren, en in de veelheid van alles wat bloeit hecht ik me aan zo'n woord als ik een blog moet schrijven.

Claes laat zich graag inspireren door bloemen. Maar wat deze jurk speciaal maakt is dat er rozen op staan. De rozen verwijzen naar de oma van Claes. Zo ontstaat er voor mijn semiotische blik een strakke samensnoering, van dynastie, familie en bloei. Ik heb altijd een groot vertrouwen in dergelijke semiotische uitzichten. Ze brengen me vaak ergens. In dit geval, denk ik, hoef ik nog maar even te peinzen en er komt iets uit.

Wat ik hier bijna over het hoofd zie is het publiek. De vrouwen zijn zoals je kon verwachten zwaar in de meerderheid, jonge moeders met hun gezin (inclusief vader, het is meivakantie), maar veelal oudere vrouwen, van boven de zeventig. Het zijn de oma's waarnaar de rozen van Claes verwijzen, het is mijn moeder die 69 was toen ze overleed.

Dood en leven komen dicht bij elkaar, bij die oude vrouwen en bij de roos als symbool. Bij rozen denk je al snel aan verwelken, rozen verwelken, schepen vergaan... en dus aan eeuwige liefde. Een ander kunstwerk op de expositie verbeeldt de fragiliteit van afgebeelde bloemen, het schijnt dat Hollandse schilders bloemen het liefst afbeeldden vlak voor hun verwelking, dan waren ze op het toppunt van hun bloei.

Zijn symbolen eeuwig? Zeker niet, hun grootste waarde hadden de bloemen in de zeventiende eeuw. Steenrijke Hollanders lieten ze komen uit de met geweld veroverde landen en betaalden er hele jaarinkomens voor. Nu kun je het eigenlijk niet meer over die bloemen hebben zonder er meteen ook slavernij, geweld en hebzucht bij te betrekken. De symbolische kracht van rozen is verwelkt, ze herinneren ons aan een voorgoed besmet verleden.

Het is zeker ook de goddelijke kracht van de moedergodin Hera die hier rondwaart. in 2011 was ik hier met school, en moest ik me verdiepen in de talrijke verwijzingen naar de Oudheid, vooral in de paleistuinen. Hera wist dat Herakles verwekt was bij een vreemde vrouw door haar man Zeus, en probeerde hem al na zijn geboorte te vermorzelen. Ze stuurde twee slangen naar hem in zijn wieg. Ons Heraklesje greep met elk knuistje een slang en wurgde ze meteen. In de tuinen herinnert de Herculesfontein aan dit gebeuren, waarbij Hercules (Herakles) symbool staat voor Willem III, die al vroeg zijn vader verloor aan de pokken, en zich op jonge leeftijd zonder vader moest zien te redden (maar gelukkig had hij wel nog zijn moeder).

Bij de stallen herinneren de pauwen aan Hera. Ze lopen tussen de tafeltjes van het terras, zetten hun veren uit en er verschijnen talloze ogen. Hera moest haar overspelige man goed in de gaten houden, en had deze ogen hard nodig.

Je bent eigenlijk nooit onbespied. Zelfs op mijn wc word ik door mijn moeder in de gaten gehouden. En vroeg of laat kom ik opdraven in het Paleis, zo zie je maar weer.

 



zondag 28 april 2024

De vlindertuin van Emmen

Het koningshuis heeft steeds minder nut. Het loopt zijn kilometer, schudt handjes en drukt zijn kus af op de hand van een vrouw.

Het heeft zijn verjaardag goed gekozen, het is tijd voor vlinders. Die zie je bijna niet meer, dus alle reden om zelf vlinder te worden, te fladderen over je parcours, je dagen te leven, je eitjes af te leggen.

Zo durf ik rustig te beweren dat het koningshuis een moeder is, en dat moeders moeders aantrekken. Uit Duitsland komen de moeders naar Emmen omdat ze Maxima zo'n tolle Frau vinden.

(Op ons achttiende kropen we uit onze cocon, 's nachts wachtten we op Victoria Station op de trein naar moeder, een Duitse bekende me uren achtereen haar liefde voor ons koningshuis.)

En ja, die fragiliteit, wat die beveiligers verklaart rond het koningsparcours. Gisteren naderde onze bus een kruispunt waar een vrouw in scootmobiel nog net voorlangs kon. Op haar hoofd twee wapperende oranje handjes.

In mijn moeders laatste jaren gingen we naar het Noorder Dierenpark. We raakten er even ons dochtertje kwijt. Mijn moeder verlangde heftig naar de vlindertuin, alles was fladderend bij elkaar.

Veel beveiliging langs route Oranjes, maar 'majesteit werd niet op de huid  gezeten'

dinsdag 12 maart 2024

Modder

Moeders zijn specialist in roddel. Ze praten over wie er voor het raam langs loopt. Mijn moeder had het over tweeverdieners. Tegenover roddel staat opscheppen. Mijn moeder luisterde geduldig en afgunstig naar de moeders die hun kinderen de hemel in prezen. Pas achteraf kon ze afgeven.

Roddel is de combinatie van afwezigheid en betrokkenheid. We hebben onze biergroep waarin we ons pleintje doornemen. Een minderheid van mijn biergroep woont er nog, maar juist daarom. We zakken verder in de modder. Ergens tussen lijkkisten, baksteenwoestijnen, aan de rand van de modder denken we aan die prachtige plaats waar we over blijven praten.

Moeder modder. We lopen langs de rand om natte voeten te mijden. Het klimaat warmt op zoals onze moeders de aardappels. Beetje mayo en slikken. De machines zakken in het water, ons bekruipt moedergevoel.

Modder is waarin je wegzakt. Ons verlangen is zo waanzinnig dat we erin blijven. Geboren worden was niet ons fort, liever zakten we terug. Vandaar dat we ons klompenpad lopen langs de voedselbosjes. Het had iets kunnen worden, zij het nauwelijks moeders wet.

Ze zeggen telkens opnieuw geboren, zevenmaal je feestje. Zo volledig wegzakken dat je happend bovenkomt, bovengetrokken door de zorg. Dat is pas leven. En dan weer wegzakken. Dit wil je vaker meemaken, bovenkomen en zakken. Het blijft zuigen.

De Zegge kreunt onder overstromingen: “De natuurgebieden doen dienst als  rioolputje” (Geel) | Het Nieuwsblad Mobile

woensdag 21 februari 2024

Betrouwbare vrienden

Mijn moeder vond altijd belangrijk of mijn vrienden wel betrouwbaar waren. Als ik het over sommige vrienden had zei ze: 'Van hem kun je tenminste op aan.' Dat zal verklaren waarom ik niet veel vrienden heb. Een van hen ken ik al vanaf mijn zevende. Mijn moeder koesterde een diepe haat tegen hem. Wel is deze vriend voor mij betrouwbaar. Betrouwbaarheid kan zich dus zomaar tegen je keren.

Vriendschappen, zou je misschien moeten zeggen, zijn voor mij een manier om voort te borduren op mijn moeder. Zij is alweer 23 jaar geleden overleden, en in sommige aspecten, waaronder de waarde van betrouwbaarheid, zet ik haar ethos voort, haar leven, haar dromen. Misschien hebben ook de dwarse aspecten van dat leven voor mij betekenis. Ook bij mijn vrienden kan de betrouwbaarheid zich tegen mij keren.

Gisteren vertelde een van mijn vrienden in een lezing over zijn vriendschap, een groep vrienden die elkaar al vanaf hun jeugd kennen. In ons gepolariseerde klimaat zijn de meesten van hen naar de overkant geëvolueerd, ze geloven niet in het klimaatprobleem en zien de immigratie als ons belangrijkste probleem dat we moeten oplossen door de immigranten tegen te houden. Martien voerde lange gesprekken met die vrienden, maar kon hen niet overtuigen. Het gaat hier ook niet om gewone meningen, maar om dingen van een veel objectievere aard en van groot belang voor ons land. Als we het klimaatprobleem niet oplossen krijgen we allemaal natte voeten.

Bij Martien komen vriendschap en diepgaande verschillen dicht bij elkaar. Hij gebruikte daarvoor de bekende term van filosoof Jean-François Lyotard (1924-1998) strijdigheid, in het Frans différend. Meningsverschillen en praktische problemen kun je oplossen, je kunt erover praten of ze voorleggen aan een derde instantie, de rechter. Lyotard sprak dan van een litige, een geschil. Zo niet een strijdigheid. Je kunt dan wel een keuze maken, maar die lost de strijdigheid niet op. De interessante kwestie van Martien was nu wanneer het wijs is om je te begeven in een strijdigheid, wetend dat je er niet uit zult komen. Maar ja, het zijn wel je vrienden hè?

Ik realiseer me dat ik in een derde alternatief beweeg. Filosofen zoeken graag naar dilemma's, die toch ook een vorm van strijdigheid zijn. Het is een soort verantwoordelijkheid of erekwestie om bij een gesprek meningsverschillen te zoeken, uit te vergroten, aan te scherpen. Lyotard zei al in het begin van zijn boek Le différend dat hij de 'eer van het denken' wilde redden, sauver l'honneur de la pensée. Met de formule voortborduren, de titel van deze blogserie, lijk ik iets anders te doen. Ik zoek iets bij mijn vriend dat me inspireert en probeer dat tot uitgangspunt te gebruiken voor een extra beweging in het denken.

Overigens deed Martien dat eerder al met mij. Vlak voor zijn lezing sprak ik hem, en hij zei: 'Anton, ik ga een term van jou gebruiken, geboorteloterij.' Het duurde even voordat ik begreep waar hij het over had, maar toen herinnerde ik me dat ik de hele kwestie van de immigratie in verband had gebracht met de contingentie, de toevalligheid, van de plaats waar je geboren bent. Wat maakt het nu uit met wat voor motieven een migrant naar Nederland komt? Als hij komt omdat hij hier geld kan verdienen vind ik het lastig om hem tegen te houden omdat wij recht zouden hebben om hier ongestoord te wonen. Waar zou dat recht op gebaseerd moeten zijn?

Je snapt, het heeft op een bepaalde manier met mijn moeder te maken. Zij was Nederlands, dan ik ook. Maar het had net zo goed anders kunnen zijn. Mijn moeder had met een boer kunnen trouwen, waarvoor hier in haar tijd vaak weinig plaats was, en net als nogal wat familieleden naar Noord-Frankrijk kunnen uitwijken. Mijn moeder wist hoe hard het leven daar kon zijn, ze las Boerin in Frankrijk, een destijds beroemd boek van Wil den Hollander over een Nederlandse boerin die met haar echtgenoot emigreerde. In plaats daarvan trouwde mijn moeder met mijn vader, geen boer maar een kantoorman van de stad.

Het belang dat mijn moeder hechtte aan betrouwbaarheid had zeker alles te maken met de onbetrouwbaarheid van het bestaan, met de harde kanten van het leven. Zelf had mijn moeder graag geneeskunde willen studeren, wat voor haar onmogelijk was, en zeker ook daarom hoopte ze dat ik dat ging doen. Ik kwam dicht in de buurt, in 2001, toen ik solliciteerde naar een onderzoeksfunctie in Maastricht voor een project over anatomische tekeningen uit de zeventiende eeuw die werden gebruikt voor geneeskunde. Ik zou dan in de buurt van mijn moeder zijn gaan wonen. Maar op dezelfde dag dat ik de onderzoeksleider sprak overleed mijn moeder onverwacht. Zes weken later belde de onderzoeksleider me dat ze een andere kandidaat hadden gekozen.

Het rare van contingentie is dat er altijd een schijn van logica over hangt. Het lijkt alsof er een samenhang is tussen mijn mislukking in de geneeskunde en het overlijden van mijn moeder. Ik borduur voort op dat overlijden door me niet met geneeskunde bezig te houden. Er zit een raar soort betrouwbaarheid in dingen die met elkaar wrijven, in de strijdigheid. Lyotard zegt: je moet aansluiten met een zin bij de vorige zin. En die zin is strijdig. Het had ook een andere zin kunnen zijn. Je kunt niet anders dan aansluiten (voortborduren) maar nooit wordt het een mooi, sluitend geheel.

Zou je deze gedachte aanscherpen, dan zijn zaken als liefde en vriendschap onmogelijk. In een andere blog (zie hier) heb ik Lyotard proberen te harmoniseren met 'liefdespolitiek' rond de ervaring van het komische. Voor Lyotard had het buiten werking stellen van de wet te maken met paganisme, een 'heidens' disrespect voor de wet dat niet tragisch is maar komisch. De pagus is iemand van het land, en natuurlijk moet ik opnieuw weer denken aan mijn moeder, die (geboorteloterij!) afkomstig was van een boerderij aan de Belgische grens. Ze zat een paar jaar op een Franse kostschool, met heimwee, maar leerde wel Frans. Het heeft zeker meegespeeld in mijn lange kennismaking met Franse filosofen, onder wie jarenlang ook Lyotard.

Het pagane disrespect kan samengaan met trouw. Anders zou vriendschap onmogelijk zijn. Wat een grappige situatie eigenlijk als je met vrienden opgescheept zit met foute opvattingen! En wat mooi als je die vriendschap kunt gebruiken als mooi voorbeeld voor een lezing over morele dilemma's! Ook de loterij is hier niet ver weg. We hebben maar in zeer beperkte zin de zeggenschap over onze vriendschap. Je wil met hen breken als ze zulke foute opvattingen hebben, maar merkt dat je dat niet kunt. Dan probeer je er maar het beste van te maken, dan maar praten over voetbal, dan maar pizza eten.

 Boerin in Frankrijk, Hollander-Bronder Wil den | BoekenWebsite.nl

zondag 14 januari 2024

Amerikaanser dan we dachten

De Amerikanen waren meer iets voor mijn vader. Ze kwamen toen hij zestien was en leerden hem roken. Dat verklaart waarom ik mijn vader nooit heb zien roken (en drinken trouwens ook niet). Een slimme arts maakte hem duidelijk dat hij zichzelf aan het vernietigen was, en toen is hij subiet gestopt. Misschien ging dus zijn Amerikanenliefde niet erg diep. Hij dacht graag terug aan hun bevrijdingsacties, en verdedigde de Amerikanen in felle discussies met mij toen ik zestien was.

Mijn moeder vertelde eens over de Duitsers die in de oorlog verblijf hielden op de grote boerderij. Later kwamen de Amerikanen. Ik heb een slecht geheugen maar weet zeker dat ze de Amerikanen minder vriendelijk vond dan de Duitsers. Misschien gaat het te ver om te zeggen dat mijn moeder hield van Duitsland, maar ze ging er graag naartoe. Wandelen, eten, op vakantie. Qua taal had ze meer met Frankrijk (ze had in haar jeugd op een Franstalig soort internaat gezeten, vlak over de grens in Fouron-le-Comte). Maar qua ergens graag zijn was het dus eerder Duitsland en de vriendelijke Duitsers.

Ik dacht van mezelf ook heel lang dat ik meer voor de Duitsers was, dat ik met mijn leven en voorliefde voortborduurde op het Duitslandgevoel van mijn moeder. Misschien niet zozeer de taal, wel dat ik er graag heen ging toen ik zestien was. Nu denk ik daar toch weer iets anders over. Als ik nog verder terugdenk keek ik graag naar de Duitse tv, net als bijvoorbeeld mijn half-Twentse achterbuurjongen Arno. Wat keken wij? Lederstrumpf, Winnetou, Der Schatz im Silbersee. Duitse films, geacteerd door Duitsers. En de verhalen waren geschreven door Karl May, ook weer een Duitser (zie ook deze blog). Vriend Hans had de hele serie, in vertaling weliswaar, maar toch.

We speelden al heel vroeg kojbojtje, waarbij we elkaar om de haverklap doodschoten. Later gingen we sjtreupe in de bosjes, geen hazen vangen maar gewoon ons door die struiken slaan. Later gingen we nog weer verder van huis en legden we op twee kilometer een arsenaal aan, en probeerden we - vergeefs - pony's te bestijgen. Nog weer later gingen we met dolken op de Brunsummerheide takken afsnijden en schillen. Op vakantie in de Voerstreek leerde mijn vader ons pijl en boog te maken van wilgentakken.

Kan zijn dat ik op die manier afstand nam van mijn moeder, maar misschien ook niet. Behalve de buitenavonturen zat ik graag binnen te lezen, bij het getik van haar breipennen en de plaatjes klassieke muziek die met een klap omlaag vielen als het vorige plaatje klaar was. Het kon van alles zijn wat ik las, maar zeker ook cowboy-avonturen, later vooral Arendsoog en Witte Veder. Het neerschieten van Indianen was achteraf gezien een nogal lompe, onvriendelijke kennismaking met hun edele geest, Winnetou had evenveel gezag als Jezus Christus.

Op fietstochten konden we flinke afstanden afleggen, maar steeds zag ik in gedachten al mijn moeder als ik zou thuiskomen met het precieze aantal kilometers en de afgelegde route. Mijn moeder kon natuurlijk niet adequaat reageren, maar mijn vader, die dat wel goed kon volgen en waarderen, was op zijn werk en mijn moeder was thuis, en dat telde uiteindelijk. Ik wil maar zeggen: er loopt een lijn, een nogal grillige lijn, van mijn moeder naar mij via de Amerikanen.

Het waren vooral fantasie-Amerikanen, niet te vergelijken met de werkelijke Amerikanen van mijn vader. Heel vaag herinner ik me Walter Baetzel, de militair uit Wisconsin die met zijn familie bij ons eventjes logeerde, en met wie mijn vader correspondeerde. De fantasie-Amerikanen konden heel onvriendelijk zijn, maar misschien waren ze in wezen wel goede mensen. Niet alleen omdat ze ons bevrijd hadden, maar ook omdat ze de mannen achter de schermen waren voor alle dingen die ik belangrijk begon te vinden: met name de vredesbeweging, het vreedzame Europa dat begon met gesprekken tussen Duitsers en Fransen op initiatief van de Amerikanen.

Op die rol van de Amerikanen kom ik dankzij de onlangs overleden historicus Mathieu Segers. Hij benadrukt volgens het interview in de Volkskrant (zie hier) de rol van de Verenigde Staten in de Europese integratie na de oorlog. We denken dan vooral aan het Marshallplan, maar de Amerikanen toonden ook moreel leiderschap. Je zou dit het derde gezicht van de Amerikanen kunnen noemen, naast de Indianendoders en de onvriendelijke logé's op mijn moeders boerderij. Het vierde gezicht zou dan de Amerikaanse cultuur kunnen zijn, met Mickey Mouse en de heroïne die uit Vietnam met de Amerikanen in Heerlen kwam. Tussen al die gezichten is het niet makkelijk dat moreel leiderschap te ontwaren. Daarvoor heb je de distantie nodig van driekwart eeuw en dus van de historicus.

Terugkijkend op mijn jeugd zie ik hoe ik die vormende rol van de Amerikanen heb onderschat. Mijn interesse in Duitsland was vooral interesse in hun fascinatie voor Amerika. Toen ik later in Oost-Europa kwam, idem dito. Hun verlangen naar vrijheid en democratie ging over de rug van Europa uit naar Amerika. Mijn filosofische helden waren anti-Amerikaans, met name Sartre, maar de Parijse naoorlogse cultuur was vooral een explosie van hedonisme en oppervlakkige diepzinnigheid, gebracht door de Amerikanen. Nu moet ik oppassen dat ik niet ga drammen, mijn moeder zou zich omkeren in haar graf.

Een trekje verraadt wel affiniteit van mijn moeder met de Amerikaanse cultuur. Mijn ouders gingen graag naar Duitsland, waar ze gingen eten bij een Turks restaurant. Maar een aantal jaren gingen ze nog liever naar een wegrestaurant naast een tankstation, bij Eupen. Je had daar het gevoel dat je in een Amerikaanse film zat, zou ik zeggen. Niet mijn ouders, die keken niet naar Amerikaanse films (behalve mijn vader, naar The longest day, zie deze blog). Nee, je was onderweg, wilde makkelijk en goedkoop eten, geen sjiek gedoe.

Misschien heeft moreel leiderschap ook niet zoveel te maken met vriendelijkheid. Ze kunnen heel lomp zijn, die Amerikanen, maar als je niet meer op een boerderij woont maakt dat niet veel uit, je hebt nauwelijks contact met hen. Je wil vooral genieten, in de natuur met koffie in je eigen thermoskan of in een wegrestaurant. Die oppervlakkigheid moeten we koesteren.



maandag 11 september 2023

Via de rechte lijn

Niet moeilijk. Als ik bij Khalid & Sophie een vrouw zie praten over de aardbeving denk ik terug aan een paar minuten eerder, toen ze voor mij gewoon een vrouw was die in beeld genomen werd, terwijl ze nog met Johnny de Mol junior aan het praten waren. Ze keek naar het gesprek met een invoelende blik, en ging daarna met een geïnformeerde stem praten over wat daar - nog steeds - gaande is.

Ik kan niet anders dan denken aan die fameuze begin-aria's van de Matthäus Passion waar een invoelende vrouw kijkt naar het lijden van Jezus. Mede dankzij de filosofie (Deleuze, Leibniz) ben ik vertrouwd met de plooiing van de blik. Ik kijk naar het lijden in de Atlas, maar nu via deze vrouw die ik via het zwijgende gelaat van Johnny had gezien. Indirect zul je zeggen. Ligt er maar aan of je de rechte lijn direct noemt, zeg ik dan weer, via Deleuze en Leibniz.

Is het überhaupt mogelijk om naar zo'n tv-programma te kijken zonder besef van alle manipulaties, de suggestie van een rechte lijn terwijl er viavia gespeeld wordt via een punt dat precies door deze manoeuvre buiten beeld wordt gehouden, eventueel terwijl iedereen weet dat de lijn via dit punt loopt dus eerder verdringing dan verdoezeling, relatieve onzichtbaarheid resulterend uit het wegschuiven van deze punten naar de schemerzone ver achter de schouders van de vrouw die nu even later in het middelpunt staat, Esmah Lahlah?

Welnu, ik heb enig besef van manipulaties en vind een rechte lijn soms wel prettig, want dan zie je het lichtste knikje ogenblikkelijk. Juist in dit geval vind ik de bocht ook wel iets hebben, de lijn die loopt van het probleem via de politiek via de media naar de kijker, en niettemin aanvoelt als een rechte lijn. Wie is er meer bedreven in integriteit dan de media die daarin de langste training hebben gehad?

Ik in geen geval. Ik kan wel rare zwenkingen maken, ineens links of rechts. Evenwel, dat kan iedereen. Je bent voor de verheffing van de bezitlozen, en precies daardoor klaag je de grachtengordel aan die deze mensen heeft opgeofferd aan zoiets vaags als ideeën, precies de ideeën waarvan ze daar ooit rijk zijn geworden en sindsdien gebleven. Of je bent voor de bezitters omdat ze op het podium dat ertoe doet onze belangen behartigen en van die eeuwige underdogs. We moeten hen dus koesteren, en wel omdat ze als geen ander de belangen vertegenwoordigen zodat we hen meer vertrouwen dan die onzichtbare eindpunten van onze deellijn.

We gaan de rechte lijn herstellen, zodat het weer de rechte lijn is. Bijbehorende deugden zijn oprechtheid en eerlijkheid. We lopen naar de punten links en de punten rechts, daar bewegen ze in hun hoeken en bochten. Eerst construeren we een rechte lijn die als zodanig aanvoelt. Zeg René van der Gijp met penishelm die Rutte meezuigt in zijn gulle lach. Daarna gaan we weer in bochten die op hun manier ook de rechte lijn vertegenwoordigen, denk aan Yesilgöz die de bestaanszekerheid uitroept tot het thema dat de VVD altijd zou hebben gekoesterd.

Volgende stap zou kunnen zijn dat we de kromme lijn als de echte rechte lijn gaan zien. Geen leugens meer nodig, nu kunnen we eindelijk zeggen dat de aardbeving onze zorg heeft omdat ze hier zitten te schrijven en doneren even geen zin heeft omdat de Marokkaanse regering onze hulp nog niet kan accepteren. Mede daarom hechten we aan Esmah Lahlah in beeld, zij is er alvast en in de toekomst ook zeker namens ons bij de verpletterden.

Helmondse Esmah Lahlah is wethouder in Tilburg: 'Ik gun iedereen dat-ie  zichzelf kan zijn, ook mezelf' | Helmond | ed.nl

vrijdag 4 augustus 2023

Het uitspreken van de namen

Het is een hele kunst om namen te geven aan de dieren. Die kunst schrijven we toe aan Adam en aan Linnaeus. Een ontzaglijke klus. Vergeleken daarmee is het uitspreken van die namen een stuk makkelijker. Eigenlijk is dat ook een beetje voortborduren. Mijn moeder borduurde haar vier vlinders (die bij ons aan de muur van de wc terecht zijn gekomen) aan de hand van een voorbeeld. Het gaat te ver om dat plagiaat te noemen, het is gebruikelijk in het borduren dat je een voorbeeld uitvoert. Anders kun je ook niet meer koken volgens recept.

Het is weer jaren negentig. Mijn moeder zit naast mijn vader in de auto en wij achterin. We rijden door Eupen, het stadje met drie talen. Mijn moeder spreekt alle namen uit die ze ziet, de verkeersborden, wegwijzers, namen van winkels, verkiezingsposters. Het helpt dat ze in haar jeugd op een Franse kostschool in de Voerstreek heeft gezeten. De namen zijn smaken die ze over haar tong laat glijden. De dingen krijgen een extra kwaliteit.

Als ik met mijn oudste broer door het bos loop zien we de vogels. We hebben diezelfde dwangmatigheid om de vogels te benoemen. Er moet een naam bij. We zijn jagers, zonen van onze vader die ons in de vroege ochtend meenam naar het vossenhol om te kijken of hij naar buiten kwam. Maar als we jagers zouden zijn, waren we heel slechte jagers. We zoeken onze vogels niet echt op, we beperken ons tot vage overwegingen, we gaan naar rietkragen omdat we daar misschien de roerdomp horen, en anders vast wel de karekiet. We schieten niet, zelfs geen foto's. Wel vinden we de details belangrijk. Als we een hoge snelle zang horen willen we wel weten of het een heggenmus of een zwartkop is, en soms hebben we zelfs discussies.

Ik stel me voor dat we geen jagers zijn maar de namen uitspreken, en daarmee voortborduren op onze moeder. Zo kijk ik ook weer anders naar onze vader. Hij kocht een kleine vierdelige encyclopedie. Daar stond niet veel in, te weinig om echt informatie over dingen te krijgen. Het was meer een gebaar, het tonen van interesse. Daarnaast had mijn vader ook andere kanten, hij moest per se gelijk krijgen in discussies. Ook die kant zit natuurlijk in ons dna. Ook wij zijn dieren die we met een beetje afstand kunnen benoemen.

Hans Dorrestijn zegt dat we respect voor de mens moeten hebben omdat zonder hem de planten en dieren niet zouden bestaan. Ze zouden niet terecht komen in botanische boeken. Het is een leuk contrapunt van een cabaretier. Maar er is zeker een samenhang tussen de dingen en de mens. Natuurkundige Thomas Hertog was daar ook van overtuigd. De mens is qua tijd en ruimte een volstrekt nietig en eenzaam wezen in het heelal. Maar wel uniek dus, waardoor je kunt denken dat de hele natuur is geëvolueerd met ons als doel.

Ik wil maar zeggen: voor het borduren van die vlinders had het heelal vele miljarden jaren nodig. De vlinder is zelf misschien al zijn eigen getuige, als we de tekening op zijn vleugels opvatten als schrift (zoals de dichter Brodsky zegt). Dan is het dichten over de vlinder of het borduren een vorm van overschrijven.

Wat we nog missen is de stem. Vlinders hebben geen stem en hebben onze stem nodig. De stem in politieke zin, omdat we met foute politiek hun bestaan bedreigen. Maar ook de stem die hun naam uitspreekt. Vlinder, papillon, butterfly.

Waar ik nog niet uit ben is waarvoor we die stem nodig hebben. Er zit iets overbodigs in het uitspreken van namen zoals mijn moeder deed. Dat kunnen we dan wel weer verrijking noemen, maar dat is eigenlijk hetzelfde. Je verrijkt de dingen door ze te overgieten met klanken, waarmee je suggereert dat je dat net zo goed niet kunt doen, die dingen bestaan ook wel zonder onze stem. Waarom zouden we zo nodig rijker moeten worden?

Misschien daarom is die koppeling van de stem aan mijn moeder zo belangrijk. Mijn moeder was voor mij onmisbaar, zonder mijn moeder was ik er niet en was ook deze blog er niet. Het feit dat ik er ben is geen verrijking voor het heelal, maar iets dat er is, het vindt plaats. Het wordt als het ware zelf die vlinder. Dat mijn moeder al 22 jaar dood is verandert niets aan die zaak, integendeel. Een vlinder heeft maar een kort leven, en daarom heeft het des te meer betekenis dat we erop voortborduren.

Eupen


woensdag 21 juni 2023

Stel dat mijn moeder meekeek

Het is zo'n makkelijke uitspraak, de geschiedenis herhaalt zich. Totdat je het ook echt meemaakt. Ik heb die speciale gevoeligheid waardoor ik al gauw dingen uit de oudheid projecteer op toch prozaïsche dingen die ik meemaak. En dan gaan de gedachten met me op hol.

Een van de drie managers die we op school weg willen hebben, weet hoe ver gezocht mijn projecties zijn. Ja, Anton, daar ga je weer, zegt hij dan. Ik krijg op dat moment het idee dat hij me beter kent dan wie ook. Toch willen we hem weg hebben, want mijn projecties zijn iets van de zijlijn. Geschiedenis blijft geschiedenis, ook als er in de marges dingetjes gebeuren die hooguit geborduurde vlinders op een wc zijn.

Nu we daar toch aan denken: voortborduren heeft zeker ook iets te maken met de generaties. Stel dat mijn moeder erbij was, gisteren, toen haar kleindochter ergens een gelofte moest afleggen, waar ze nu al een tijdje werkt. Haar blik zou langs de muren gaan en blijven rusten op onze koning en onze koningin. Dat was nu eenmaal haar gevoeligheid. Ze had altijd boeken over dynastieën op haar nachtkastje liggen.

Ik mag niets zeggen over die plechtigheid, want zoiets moet altijd INTEGER zijn, dat wil zeggen afgesloten van verontreinigende invloeden van buitenaf. Het moet ergens gebeuren in een afgescheiden ruimte waar al die lui met hun belangen even geen toegang toe hebben.

Voor mijn ogen verrijst een scène waarin de spreker met zijn rug naar de Jupitertempel van het Capitool staat. Toevallig lees ik net Tacitus, de beroemde Romeinse geschiedschrijver die terugkijkt op de eerste eeuw na Christus, en het jaar waarin maar liefst vier keizers elkaar opvolgden. Nero, de moedermoordenaar, was opgevolgd door de strenge Galba, en die weer door de realistischere Otho. Op weg naar het machtscentrum (Capitool) legden de toestromende soldaten hun gelofte af, en Otho wierp hun kushandjes toe. Zo verliepen de dynastieke verwikkelingen destijds.

Nu klonk er een zware toespraak. Nauwelijks foto's. De gemeentesecretaris werd in zijn rug begeleid door de eerste donders en bliksems sinds maanden. Jupiter, oppergod en verbreker van integriteit par excellence, liet zich bulderend horen.

Ik stel me voor hoe mijn moeder erbij had gezeten. Net als wij op de achterste rij. Bevend dat haar het woord zou worden gegeven. Glunderend en tegelijk vol schaamte. Dochter van een boer, echtgenote en oma van een ambtenaar. Je treedt toe tot de goden, en dat gaat nooit zonder slag of stoot.

Iets van die generatieschokken voel ik bij dit schrijven. Wat mag ik zeggen? Wat is geheim, wat de kern van de openbaarheid? Hoe nauw ben ik ermee verbonden? Stel we leven in een democratie. Ik ben in zekere zin die koning, met naast mij die koningin, we zijn zelf het paar dat aan de muur meekijkt. Het is niet alleen onze dochter die daar staat maar ook de hele godganse toekomst van het land en van al onze voorouders, inclusief mijn moeder.

Laat ik me beperken tot een of twee gedachten. Een: ik krijg enig begrip voor die leiders die ons de wet in handen geven. Het zijn maar mannen, met hun gebreken, zoals mijn vader. Mannen met hun kinderlijke toewijding. Twee: het zijn de vrouwen die ons mannen bewaken. Zoals ooit Juno, gesymboliseerd door de ganzen op het Capitool. De man staat in het midden, en de vrouwen zien erop toe dat het geen lachertje wordt.

Ik kijk naar de foto van mijn moeder, hier tegenover me in de huiskamer, en zie een aarzelend knikje. Alsof ze zoals zo vaak al zit te knikkebollen. Zalig het land waar je vroeg mag slapen.

Portret van de Koning en Koningin: Portret Maxima met de parel KLEIN 29,7 x  42 cm


zaterdag 4 februari 2023

Het kleine schroevendraaiertje - Nogmaals Veronesi

Dingen zijn vaak anders dan ze lijken. Dat zal vast de reden zijn dat we ons zo vastklampen aan de schijn. Omgekeerd kun je niet altijd zeggen dat schijn bedriegt. Zo kun je kijken naar Vermeer, die registreert hoe het brood van het melkmeisje verschijnt door het licht. Dat is gewoon mooi, en zelfs uitzonderlijk mooi. En zo kijk ik naar de geborduurde vlinders van mijn moeder. Schijn, zeker, maar er zit niets achter, mijn blogs zijn geen poging om te graven naar de donkere kanten van mijn moeder achter de vlinders.

Nog een stapje verder, en de bedrieglijke of zelfs lelijke, kitscherige schijn kan je leiden naar iets dat je wel als bedrog kunt zien, maar wel in positieve zin, het leidt je binnen in het leven dat je leidt, in wie je bent en waar je woont. Ik denk nu aan de roman van Veronesi (La forza del passato) die ik in mijn vorige blog besprak. Hij ligt na een verkeersongeluk in het ziekenhuis. Zijn moeder komt hem opzoeken, de moeder die altijd voor hem verzwegen had gehouden dat zijn vader een Russische spion was.

Ik-figuur Gianni vertelt aan zijn moeder een geheim om haar te testen. Er was een lelijke schouw in het huis waar hij ging wonen met zijn gezin, en die wilde hij weghalen. De huisbaas wilde die schouw echter bewaren, met als gevolg dat Gianni geduldig de schouw moest demonteren om hem later weer te kunnen inbouwen. Na een hoop geploeter vond hij achter de opengebroken schouw een drol in een krant, die daar al heel lang moest liggen. De drol was daar zeker neergelegd door de metselaar van de schouw. Zou Gianni's moeder, als ze in zijn plaats was, dit aan de huisbaas vertellen? Nee, zegt ze. In Italië, luidt de conclusie, telt de schijn, keeping up appearances. 

Mijn moeder was ook van de schijn, in die zin. Ze schaamde zich vaak over oneffenheden in ons en mijn vader, en hij moest zich altijd ronddraaien voor haar ogen voor hij de deur uit ging. Ik heb dat vaak als een laakbare eigenschap gezien, zeker toen ik in het Noorden woonde en gewend raakte aan de cultuur van eerlijkheid en transparantie. Concreet gesproken schaam ik me nu een beetje dat ik Veronesi heb gelezen. Ik las een artikel van Marja Pruis over de Nederlandse voorliefde voor Italiaanse schrijvers met de veelzeggende titel 'Schaamteloze zwelgzucht'. We stuiten op een paradox. Veronesi legt de liefde voor schijn en de donkere kanten van Italië bloot, maar doet dat op een manier dat in ons land Kluun en Koch ervan smullen. Als de schijn wordt ontmaskerd moet dat liefst op een smeuïge manier.

Ik had je al verteld dat de roman van Veronesi niet de roman was die ik zocht. Maar ik had hem pas half uit. Een paar bladzijden verder wijdt de taxichauffeur alias Russische spion uit over de grillrooms waar hij een boek over schrijft. Het is dus toch de roman die ik me herinnerde! Ik ging de Nederlandse vertaling lenen en ook deze had ik in 2015 geleend, zei het scherm me. De kracht van het verleden, of, zoals de titel van de vertaling luidt, In de ban van mijn vader. De vader is overleden, maar de Russische spion is de vader zoals Gianni's vader wellicht had willen zijn, zijn ideale ik. Zorgzaam voor zijn zoon in plaats van leven als een conservatieve burger en vriend van Andreotti.

Nu zou ik moeiteloos mee kunnen met deze verschuiving van de moeder naar de vader. Ook mijn vader had niet echt smaak, en net als de taxichauffeur hield hij van dingen op een manier die wij oppervlakkig en kitscherig vinden. Het boek met reproducties van Van Gogh waar hij niet eens in keek, maar dat we wel hadden. Ik herken mezelf erin, met mijn gebrek aan goede smaak en mijn intellectuele leven waarin ik graag laat zien wat ik lees en waarvan ik in de ban ben. Mijn moeder had een beter smaakgevoel, in elk geval in de zin dat ze er niet mee te koop liep. Ze hield van moderne architectuur, van kleine voorwerpjes, en bij het borduren van eenvoudige onderwerpen zoals vlinders. Vermeer zou ze nooit naborduren.

Misschien brengt mijn leesavontuur (levensavontuur) me bij een wijsheid die voor onze Italianen soms dichtbij ligt, en die ik herken van Agamben. Italianen zoals Veronesi zoeken de rand op van de schijn, laten de schijn zien en de verborgen duisternis erachter en schrijven dat smeuïg op. In La forza del passato spiegelt hij dit gebaar aan de Russen zoals hij zich die voorstelt. Ze zwelgen schaamteloos in die smeuïgheid, ze kennen geen reserves, geen remmingen, leven (zoals ik elders ook zag) in het onmiddellijke. Poetin en Berlusconi zijn in die zin elkaars broeders. Ze gaan in grootsheid op het scherm en desnoods ten onder, maar trekken daarin wel graag de hele wereld met zich mee.

De uitweg zou - als we Veronesi en Agamben volgen - kunnen bestaan in kleine gebaren, kleine middelen, waarmee we ons bevrijden van de enorme last die we meedragen met ons. Veronesi eindigt met een verhaal dat Gianni aan zijn jeugdige lezers vertelt, over een man die een gouden schroef in zijn navel heeft zitten. Hij komt bij de Japanse keizer, die hem een heel klein schroevendraaiertje geeft. Het middel werkt, wonderlijk genoeg. Met dit kleine schroevendraaiertje kan de gouden schroef worden verwijderd en kan de man weer leven, en gewoon op zijn kont vallen.

Ik realiseer me, als ik over mijn moeder nadenk, dat ik haar project ben, samen met mijn broers en zussen. Wij moesten haar leven zin geven, dat draaide rond de bevrijding uit de boerderij naar de stad en een glorieuze toekomst, met gelukkige kinderen en kleinkinderen. Ze las graag over koningshuizen, en bracht me boeken uit de bibliotheek over beroemde uitvinders. In zekere zin ben ik dat geworden, met mijn loopbanen en mijn gezin. Ik heb ook de donkere achterkanten gezien, van mijn broers en zussen en ook van mezelf, met name in de depressies, het gevoel dat we schuldig waren aan de dingen die misgingen.

Dat kleine schroevendraaiertje... het heeft iets te maken met de kleine middelen, zoals bijvoorbeeld deze blog. Het is waarschijnlijk waarnaar ik op zoek ben en dat ik zonder het te merken allang in mijn hand had. Ik was misschien al bevrijd van mijn gouden schroef zonder dat ik er erg in had. Ik hoefde het alleen nog maar even op te schrijven. Je kunt het vergelijken met het voorrecht van spionnen, ze zijn er zo aan gewend alles te registreren dat ze niet eens meer doorhebben dat ze dat aan het doen zijn.

Gouden schroef stock foto. Image of macro, kruisvormig - 33627374


zondag 29 januari 2023

Schering en inslag - Over het kunstwerk van mijn dochter en een roman van Veronesi

Gisteren hebben we het kunstwerk opgehangen. Het bestaat uit textiel en is ontworpen en geweven door mijn dochter Frederiek. Inez had haar de opdracht gegeven voor mijn verjaardag, alweer meer dan een half jaar terug. Het kunstwerk heeft de vorm van een rechthoek, en bestaat uit horizontale banen en verticale banen. Over de horizontale banen is over een aantal vakken een rode draad geweven, die ook weer banen vormen. Frederiek heeft het werk in haar appartement in Athene uitgevoerd, en voor de Kerst meegenomen naar hier.

Het kunstwerk stelt mijn blogs voor, de blogs waaraan ik eind 2010 ben begonnen, tot voorjaar 2022. De verticale banen stellen de jaren voor, de horizontale de blogseries. Zo loopt de serie Ideeën van helemaal links naar rechts, en zie je rechts onderin een rood blokje, dat bladder dit voorstelt. Ik had het kunstwerk van Frederiek al genoemd in de eerste blog van deze serie, zodat er - zou je kunnen zeggen - een weefstructuur ontstaat van schering en inslag. Ik schrijf, Frederiek weeft, ik schrijf weer over dit weven, etcetera.

Er komt ook een nieuwe metaforiek op in deze serie waarin je nu zit te lezen. Nog steeds is het voortborduren de centrale metafoor, waarbij ik steeds terugkeer naar de geborduurde vlinders van mijn moeder aan de wc-muur. Je zou dat kunnen zien als een terugkeer naar de oorsprong, een meditatie ook in de geest van het stilleven of de nature morte, het zoeken van communicatie met de dode, van mezelf als dode en geborene, schijndode en opnieuw geborene. Maar naast deze metafoor komt nu die van het weven, waarin alles met alles samenhangt, zoals Frederiek uitlegt. De stof kan hier en daar een beetje krimpen of opbollen, en dan verandert de vorm ook een beetje.

In een tekst die Frederiek lang geleden schreef, stelde ze het interval centraal, de afstand tussen twee tonen. Wij kunnen in het algemeen makkelijker denken in termen van melodie, harmonie, eventueel ook toonladders, tonen of toonlengte. Moeilijker is het benoemen van de relatie tussen twee tonen, afstand als relatie. Die afstand bestaat natuurlijk ook tussen Frederiek en mij (Athene en Arnhem), en is in deze blog op verschillende manieren in het spel: denk aan de diverse kunsttechnieken (borduren, weven, blogs), aan de generaties (moeder, zoon, kleindochter), niet te vergeten de afstand tussen wc (borduurwerk) en huiskamer (weefsel). De uitdaging die Frederiek mij stelt is hoe ik afstand kan ervaren als iets positiefs, als het interval dat niet alleen de dingen uit elkaar houdt, maar ook bijeen houdt.

Nu lees ik toevallig een roman, La forza del passato van Sandro Veronesi. Toen ik het boek vrijdag in de bibliotheek leende, gaf het scherm aan dat ik het boek al eens geleend had in 2015. Toen was ik blijkbaar al bezig met pogingen Italiaans te lezen. De filosofie van Agamben lukte toen best aardig, maar een roman is iets moeilijker, omdat er minder technische termen in staan. Ik koos nu voor deze roman omdat ik op zoek was naar een roman die ik al eens gelezen had, maar waarvan ik me de schrijver en titel niet herinnerde.

Ik wist alleen dat die roman ging over een Russische taxichauffeur in Rome. Hij zag de stad anders dan de meeste toeristen. Als hij over de pyramide van Cesius praatte, dacht hij aan de uitstekende grillroom daar in de buurt. Met die roman hoopte ik in mijn hoofd een verbinding te leggen tussen Russisch en Italiaans, ook al omdat ik over een paar weken met school in Rome zit. Welnu, al zoekend in de bibliotheek zag ik dat de roman van Veronesi over een Russische taxichauffeur in Rome ging, en ook de pyramide van Cesius wordt al snel genoemd, en toen dacht ik: aha, eindelijk gevonden!

Al lezend kom ik er langzaam achter dat dit toch niet de roman is die ik me herinnerde. De roman van Veronesi is niet geschreven vanuit het perspectief van de taxichauffeur, maar van het alter ego van de schrijver zelf. En de taxichauffeur is trouwens niet eens een taxichauffeur. Hij doet zich voor als chauffeur om in contact met de schrijver te komen, en om hem te vertellen dat de vader van de schrijver zijn beste vriend was, en net als hijzelf een Russische spion.

Goed, ik zal dus moeten leven met de ontdekking dat ook deze roman niet de roman over de Russische taxichauffeur in Rome is die ik dacht te hebben hervonden. Ook de lezer wordt meegenomen in het spel van onthullingen en misschien wel fake onthullingen. Hier komen we langzaam terecht in het spoor van deze blogserie, waarin we overgangen uittekenen tussen de huiselijke sfeer en de politiek. Ik dacht me, net als de schrijver en hoofdpersoon van Veronesi, te bevinden in een veilige, betrouwbare huiselijke omgeving, en zie me geleidelijk steeds meer geconfronteerd met een onveilige wereld, waarin alles anders is dan het lijkt. Wat identiteit leek blijkt nu interval, een val ergens tussen twee werelden, die van Rusland en Italië.

Nog steeds kan ik denken: hallo, ik ben zelf degene die fladdert, tussen het weefsel van Frederiek en de roman van Veronesi, het is niet helder of er een verband is, alleen de data, de dagen van eind januari 2023. Zo bescherm ik de samenhang van mijn blogserie, waarin het woord log zit, toch een soort logboek waarin niet de samenhang vooropstaat maar de beschrijving van de gebeurtenissen op een dag, die niet hoeven samen te hangen. Afijn, dat had ik al eerder uitgelegd in mijn eerdere blogs, met name deze (volg eventueel de link).

Maar wat als die fladderende ik ook zelf anders is dan ik dacht? Wat als ik via deze (non-)samenhang met mezelf word geconfronteerd, via de grote wereld van de onveilige (Russische) politiek met mijn huiselijke omgeving, net als de hoofdpersoon van Veronesi, de hoofdpersoon Veronesi, zijn alter ego in de roman? Ziedaar het experiment (ik kies nog steeds een veilige term) dat ik onderneem, dat zich - zo je wil - via mijn ervaringen aan me voordoet.

Met opzet heb ik niet gewacht tot ik de roman uit heb. Kom op zeg, dit is geen recensie. Ik kom er steeds meer achter dat ik de dingen beleef zoals in een film. De film begint om 20:30 uur, na het nieuws. En ongeveer om 21:30 ben ik moe en ga ik mezelf voorbereiden op mijn slaap. Dat past overigens ook met de ervaring van het leven. We kijken niet terug op ons leven vanuit de hemel, maar bevinden ons ergens tussen begin en einde. We zijn een interval, ook als we niet weten welk interval, omdat de sterfdatum meestal niet bekend is.

De film wordt in de roman voortdurend opgeroepen. De roman is overigens zelf ook verfilmd, al heb ik die film niet gezien. Er is een scène in de roman die zich afspeelt in een goedkope eettent in de buurt van Rome, waar de 'taxichauffeur' zijn verhaal vertelt aan de 'schrijver'. Hij vertelt over een film van Pasolini, Ricotta (die ik ook al niet heb gezien), en waarin zoiets als een interval aan het werk is. In elke Italiaanse film, legt de spion uit, vind je 'la tipica pausa-pranzo', waarin de crew van de film bij elkaar zit, een leeg maar ook sprankelend uur ('con l'aria friccichina'). Pasolini laat Orson Welles een gedicht voorlezen. Welles leest in het Italiaans, maar de voice over is van een Italiaan, en wel de beroemde schrijver Giorgio Bassani (die in het verzet heeft gezeten). In dat gedicht verschijnt de titel 'una forza del passato', 'een kracht van het verleden'. Ik citeer dit gedicht in het Italiaans, daartoe aangemoedigd door Pasolini en Welles, en geef daarna de onbeholpen vertaling van mezelf en google translate (de roman van Veronesi is overigens wel in het Nederlands vertaald, maar die vertaling heb ik nog niet in huis), en net als in de roman omgezet in de layout van proza:

Io sono una forza del passato, solo nella tradizione è il mio amore. Vengo da ruderi, dalle chiese, dalle pale d'altare, dai borghi abbandonati sugli Appennini o le Prealpi, dove sono vissuti i fratelli. Giro per la Tuscolana come un pazzo, per l'Appia come un cane senza padrone. O guardo i crepuscoli, le mattine su Roma, sulla Ciociaria, sul mondo, come i primi atti della Dopostoria, cui io assisto, per privilegio d'anagrafe, dall'orlo estremo dia qualche età sepolta. Mostruoso è chi è nato dalle viscere di una donna morta. E io, feto adulto, mi aggiro, più moderno di ogni moderno, a cercare fratelli che non sono più. (p.93-94)

Ik ben een kracht uit het verleden, mijn liefde heb ik alleen voor de traditie. Ik kom uit ruïnes, uit kerken, uit altaarstukken, uit verlaten dorpen in de Apennijnen of de Vooralpen, waar de broeders woonden. Ik dwaal langs de Via Tuscolana als een dwaas, langs de Via Appia als een hond zonder baas. Of ik kijk naar de schemering, de ochtenden over Rome, door Ciociaria, over de wereld, als de eerste daden van de posthistoire, waarvan ik getuige ben, vanwege mijn privilege om te registreren, vanaf de uiterste rand van een begraven tijdperk. Monsterlijk is wie geboren is uit de ingewanden van een dode vrouw. En ik, volwassen foetus, dwaal rond, moderner dan de modernen, op zoek naar broers die er niet meer zijn. (blz.93-94)

Misschien voelde je al aankomen dat ik deze regels moet proberen te betrekken op het kunstwerk van mijn dochter en het borduurwerk van mijn moeder. Ik moet al voortbordurend proberen de weefstructuur van schering en inslag trouw te blijven, als ware het een traditie die meer dan wat ook mijn liefde had. Het eerste wat ik zie is de verwijzing naar mijn moeder, die opgroeide in een boerderij naast een Franciscaans klooster, 'waar de broeders woonden', en die mij mijn Franciscaanse voornaam gaf (over Franciscus, zie ook deze recente blog). Ik ben die volwassen foetus die rondfladdert, maar wat ronddwaal, afkomstig uit de ruïnes van dat klooster.

Nu, hier, kan ik geboren worden, maar nu uit de ingewanden van een dode vrouw, en nu, hier, een kracht uit het verleden worden, zoals de Russische spion die bevriend was met de vader van de schrijver, die zichzelf ooit heeft moeten doden, de Rus in zichzelf, om de vader te kunnen worden van de schrijver. De schrijver schrijft kinderboeken, over de kinderheld Pizzano Pizza, en in het volgende hoofdstuk zal hij aan zijn jeugdige lezers proberen uit te leggen dat zijn held in werkelijkheid geen negenjarig jongetje is, maar een marsmannetje van 67 jaar. Een spion. Hoe het verder gaat weet ik nog niet, ik ben dus pas halverwege deze roman.

Om de toekomst open te houden, voor je kinderen, wil Veronesi misschien zeggen, moet je kinderen de waarheid vertellen. Sinterklaas bestaat niet. De taxichauffeur is een Russische spion, net als zijn vader (die enkele weken eerder overleden is). Maar het is natuurlijk wel de waarheid die verteld kan worden door een schrijver, zijn alter ego, in fictie. Net zoals ik de waarheid hier aan mezelf vertel binnen het genre van de blog dus, in de (niet-)samenhang van de dingen zoals ze zich op een dag aan me kunnen voordoen.

Dat mijn blogs bij Frederiek de vorm aannemen van een weefkunstwerk wil zeggen: ik ben een interval, en wel tussen mijn moeder en mijn dochter, bemiddeld door mijn vrouw (die de opdracht gaf). Waar deze blogs op uitlopen weet ik niet, het ligt voorbij de randen van het kunstwerk, hun leven is mijn leven, maar ook als mijn alter ego, ik ben het die daar aan de muur hangt.

Het kan zijn dat de waarheid ongewenste gevolgen heeft, zoals Veronesi in de eerste helft van de roman al suggereert. We blijken ineens verbonden te zijn met het vijandige Rusland. Zo krijg ik nog steeds mails van de website Academia waarin staat dat nu nog Russen mijn filosofische teksten lezen die ik twintig jaar geleden schreef. Met Rusland zijn we een weefsel, en dat is allerminst een prettig gevoel. Waarheid betekent in dit geval dat we steeds weer die kracht van het verleden omzetten in een zoektocht naar 'broers', fratelli, ook al zijn die er niet meer.



Het epithalamium van James Joyce

Mijn moeder was eenvoudig, en dat kon mijn vader wel waarderen. Ze kwam van een boerderij, maar had verschillende talenten en het leven spee...